Marieke Winkler
Met de wind
‘Moet het alweer over mij gaan?’, lezen we in de laatste afdeling van Els Moors’ wervelende nieuwe dichtbundel voer voor struikrovers. Er valt verontwaardiging in te lezen, boosheid bijna: dat vermaledijde ik, dat zich steeds weer opdringt. Niet eens bewust of doelgericht maar toevallig, zoals een herfstblad per ongeluk met de wind mee naar binnen wordt geveegd wanneer men de voordeur opent. Het ik kan er ook niet veel aan doen. Beter geven we ons dus maar over aan de beweging, proberen we de willekeur te omarmen en de weldadigheid ervan te ervaren: ‘ik ben hier maar even / en wat is het heerlijk / hier wacht ik al dagen op/ tot deze wind er is’.
Helemaal heerlijk is het als je samen met iemand anders – net zo per ongeluk – in dezelfde luchtstroom terechtkomt:
de man de vrouw jij ik
ik ga mee de mixer in
een stroom van geluid
kijk hoe ik lig
met jou opgerold in mij
voor altijd in een volheid
die ik niet zelf
heb aangezet
De ervaren volheid die ‘voor altijd’ lijkt te duren, doet een extase vermoeden – totale overgave aan het moment. Verlangen, begeerte en overgave komen inderdaad ruim aan bod in voer voor struikrovers. Er is op gezette tijden sprake van een hete zomer, van bloeiende lippen, een vochtig bed: ‘er hangt een koorts in de lucht’. Het ik wordt ‘needy’ of blijft ‘behoeftig achter’. Tegelijkertijd is er steeds weer de beschouwende blik. De aanmaning ‘kijk hoe ik lig’ onthult bijvoorbeeld een zekere afstand ten aanzien van het eigen lichaam. Of elders: ‘en weer / ben ik een dier tussen dieren’. Vanuit die beschouwende blik kun je je afvragen: hoe heerlijk is de altijddurende volheid als die buiten jou om in werking is gezet?
Confrontatie of uitnodiging?
Het onderzoeken van de spanning tussen gebonden en vrij zijn, tussen voortgestuwd worden en zelf ook wat willen – zeker als vrouw – vormt in voer voor struikrovers een verbindende lijn tussen de drie uiteenlopende afdelingen, achtereenvolgens getiteld ‘een bed vol bloemen’, ‘de rollende vuurbal van Yosemite Park’ en ‘daags nadien’. ‘Heel veel van mijn boeken gaan over emancipatie en wat dat is’, verduidelijkt Els Moors in een uitgebreid auteursgesprek met Johannes Lievens. Hoe kan je een autonoom leven leiden als vrouw, zonder een kopie te worden van de man? Hoe kan je ruimte voor kwetsbaarheid en voor vrouwelijke seksualiteit creëren?
Een verbinding met het eerdere werk wordt in voer voor struikrovers tevens gelegd via het gevoel van continue dreiging. Zoals Bert van Raemdonck reeds opviel in Moors’ poëziedebuut er hangt een hoge lucht boven ons (2006): ‘Door allerlei korte maar dreigende taferelen in haar gedichten binnen te smokkelen, weet Moors subtiel maar efficiënt een permanent gevoel van onbehagen op te wekken’. Wat Frank Keizer opmerkt naar aanleiding van liederen van een kapseizend paard (2013), geldt net zo goed voor Moors’ nieuweling: ‘De lichamen in deze bundel staan onder druk’. De kracht van haar ‘zwalkende liederen’ ligt volgens Keizer dan ook in ‘het steeds weer dwingende aanwezig stellen van het lichaam, tegen alle verdrukking in’.
In voer voor struikrovers krijgt de dreiging soms heel concreet vorm, zoals in de aanwezigheid van de (overleden) vaderfiguur:
papa was a rolling stone
en ik verwacht hem telkens
weer als de opschorting
van een straf
Soms is de dreiging suggestief, zoals in het beeld van ronddansende vliegen of een blaffende hond. Soms is het ook mythisch, zoals in het beeld van de ‘goede’ jager uit het slotgedicht die één uitgang openlaat zodat de opgejaagde kan ontsnappen. ‘Het einde bestaat alleen voor hen die zich er bevangen door weten’. Is de dreiging slechts zinsbegoocheling? Vergelijkbaar met de aanwezigheid van de struikrovers uit de titel die je in ieder bosje kunt vermoeden? De dichter weet wel beter. Willen de gedichten het ‘voer’ zijn dat de struikrovers uit hun schuilplaats lokt? Een confrontatie, zoals Keizer oppert? Of misschien willen ze toch vooral een open uitnodiging zijn, zoals het in het enige gedicht waarin de struikrovers worden genoemd, luidt:
ik rijd in een open koets
ik nodig de struikrovers uit
om mee te gaan
naar de gevleugelde boodschapper
die as strooit over de sprekende vis
de knisperende brandende struik
de stad is de muur die eromheen
wordt gebouwd als een vrouw die omarmt
een verstorende liefde die bedriegt
Tegen het rationele mensbeeld
Lijnen van verwantschap vertoont voer voor struikrovers ook met Moors’ roman Mijn nachten met Spinoza (2021). Hierin brengt de auteur aan de hand van de 48 ‘affecten’ uit het derde deel van Spinoza’s Ethica nietsontziend verslag uit van allerhande banale gebeurtenissen uit haar leven, getekend door de breuk (en obsessie) met haar langdurige minnaar H. Ze tuimelt in talloze nieuwe ontmoetingen, geniet van en worstelt met lichamelijke geneugten en ongemakken, steeds gedreven door een woede tegen Spinoza’s reducerende, want te ‘rationele’ mensbeeld. Zo ageert ze tegen Spinoza naar aanleiding van affect nr. 7 (‘Haat is droefheid’):
De mens wordt mens, juist in de zelfgekozen gevangenschap van het verlangen en in het volgen en achtervolgen van alle fantastische voorstellingen die Spinoza juist ongedaan wilde maken. Wij hebben die gekte en de waanzin van alle drogbeelden nodig om menselijk te blijven en ontvankelijk te worden.
Het mysterie en de kracht van de mens ligt niet in de (elitaire) ratio, maar in de smerige begeertes, ‘de nodes en verlangens’ die je alle kanten op sturen en die maar moeilijk te controleren zijn, maar waarvan wel steeds verwacht wordt dat we – bedoeld wordt: vrouwen – ze in bedwang houden.
Met name in de eerste afdeling van voer voor struikrovers zijn de overeenkomsten tussen de roman en de gedichten opvallend. Het loont ze in het verlengde van elkaar te lezen en zo bijvoorbeeld de rol van de (overleden) ouderfiguur beter te begrijpen. Nodigt die vergelijking in de eerste afdeling nog uit tot autobiografische herkenning, in de tweede afdeling zijn de verwijzingen al minder direct en lijken andere vrouwelijke stemmen te spreken, zoals in de volgende openingsstrofe:
Hier in dit weiland word ik door mijn man
verkracht omdat ik van alle slaven
in zijn bezit de liefste ben
De nieuwe stemmen breiden het zeer persoonlijke onderzoek uit richting geschiedschrijving en actualiteit. Dat laatste gebeurt het duidelijkst in de reeks ‘frontaal explosief’, die de tweede afdeling afsluit door verwijzingen naar de Krim, vluchtelingen, plofkippen en klimaatverandering weer te geven. Het is overigens pas na deze uitwaaiering dat er geconstateerd wordt: ‘moet het weer over mij gaan?’ Na het voorgaande klinkt de constatering plots een stuk minder boos; eerder hopeloos. Het wispelturige ik is nauwelijks een betrouwbaar houvast. Daarnaast is het ik ook heel erg alleen:
ik blijf alleen met dat wat voor mij ligt
de mij nog onbekende dagen
in handen van een wereld
die zich zomaar grijpen laat
de duinen het zand de geur
van de zich aan de zon prijsgevende
bloemen, wat er van mij verlangd wordt
een vrouw zonder huis te zijn
in een lichaam dat niemand kent
Loflied
Els Moors’ voer voor struikrovers is een rauw en eerlijk loflied op de driften (het ik mag zelfzuchtig genieten, rondlopen in blote tieten, het mag vluchten, omarmen, angstig of behoeftig zijn), maar bovenal is het een meeslepend onderzoek naar de werking van de stromen en impulsen die de mens drijven. De opvallende afwezigheid van hoofdletters en interpunctie, alsook de veelgebruikte typische cesuur halverwege de syntactische zin, versterkt het gevoel opgejaagd te worden. Het verleent haar poëtische taal een grote beweeglijkheid, passend bij de tegendraadse logica van haar wervelende zintuigen, de passies, het verlangen, het prachtige en het vuige. Zelfs wie zich almachtig waant, blijkt mens te zijn: ‘ook de schepper breekt / zo nu dan het zweet uit’.
Reactie plaatsen
Reacties