Emiel Roothooft
Voor een keer was iets niet gelezen hebben een voordeel. Ik had Engelland (2025) nog niet gelezen, De vijf (2024) niet, Ogentroost (2022) niet, Geestman (2019) niet, Samaritaan (2011) niet, Vogels met zwarte poten kun je niet vreten (2010) niet, zelfs geen enkel verhaal. Ook het dagboek Ik bestaat uit twee letters (2018) niet, al was dat niet heel erg geweest. Ik heb EN GARDE! Dromen, daden en welvaartswee 2023-2025, dat vorig jaar verscheen, zonder bagage tot mij genomen. Op die manier zitten er na deze lectuur niet alleen benieuwdmakende romans op mij te wachten, maar heb ik ook een diep doorvoeld dagboek kunnen lezen zonder dat ik er toelichtingen bij een oeuvre in zocht.
Ontzenuwde updates
In de inleiding noemt A.H.J. Dautzenberg (1967) de vijf rode draden van dit dagboek: de publicatie van zijn libertijnse roman De vijf bij Atlas Contact (waarmee de samenwerking op het einde zo pijnlijk verloopt dat hij overstapt naar Prometheus, waarbij dit dagboek is verschenen); gezondheidsproblemen bij zichzelf (jicht, oogproblemen, impotentie, depressie) en bij anderen (de vreetbuiten van zijn vrouw, kanker, sterfte); nostalgie naar zijn jeugd in het Limburgse Heerlen; de literaire wereld, met zijn borrels, vetes en gestaag verval. Ik zou nog toevoegen: geldproblemen, vrijheid van meningsuiting, de rol van kunst en literatuur, de relaties met zijn naasten en het alles doordringende conflict tussen zijn ‘binnenwereld’ en de buitenwereld.
De belangrijkste aanleiding voor dit dagboek was echter de arrestatie van twee vrienden van Dautzenberg, Lesley en Marthijn, in Ecuador. Tot op heden worden ze in erbarmelijke omstandigheden aangehouden op verdenking van bezit van kinderporno (en werden eerst door enkele organisaties en een bekende ‘pedojager’ van nog veel meer beschuldigd). Uitgaande van wat Dautzenberg ons vertelt, zijn de twee mannen onschuldig. Het zou de ‘spannendste’ verhaallijn van het boek kunnen zijn, maar daar kiest de schrijver uitdrukkelijk niet voor. Het meeste komen we te weten zoals ook Dautzenberg het zelf hoort: fragmentarisch. Via korte updates op zijn website, die ook nu nog worden voortgezet, lezen we steeds meer van hetzelfde: bendegeweld, een opstand, politiegeweld, geen eten, corrupte advocaat, verplaatsing, wanhoop, lichtpuntje, etc. etc. Deze ‘hoofdstukken’ zo saai mogelijk houden, was de juiste keuze. Het weerspiegelt de frustrerende bureaucratie, zowel in Ecuador als in Nederland, en de vreselijke uitputtingsslag die gevangenschap vormt voor zowel de gevangenen als voor hun naasten.
Niet bukken
Bij het lezen had ik de indruk zo dicht bij de man achter de schrijver – de Anton in A.H.J. – te komen dat elk literair oordeel een moreel oordeel impliceert. Dat draait in mijn geval positief uit. Zijn strijd voor de vrije meningsuiting en tegen de heksenjacht op pedofielen vind ik moedig en eervol. Uit zijn brieven blijkt een assertieve maar empathische geest. Hij lijkt me een mentor die ik elke adolescent toewens. Zijn pleidooi voor uitdagende literatuur en kunst is tegenwoordig nog zeldzaam, of beperkt zicht meestal tot loze woorden. (‘Als we bukken, moet het lukken’ is al mijn dagelijkse vocabularium binnengeslopen.) Alle gal die Dautzenberg spuwt – en dat is veel, met een aanzienlijk debiet – brandt ook altijd in eigen vel: hij betaalt elke dag de prijs voor zijn idealen.
Eén ding begrijp ik niet: dat zijn blik niet verder dan Nederland (en Ecuador) reikt. De oorlogen in Gaza, Oekraïne en Soedan houden hem bijvoorbeeld nauwelijks bezig (dat valt alleszins niet op te maken uit zijn dagboek). Zijn terecht veeleisende houding tegenover de Nederlandse intelligentsia hoort ook van hemzelf meer te eisen: kijk eens over de grens, denk erover na, schrijf erover! Dat Dautzenberg het problematisch vindt ‘wanneer de wereldproblematiek of het verre verleden wordt geïmporteerd om jezelf in te kleuren’, valt nog te begrijpen, maar dit leest toch meer als een flauw excuus: ‘Dat leidt immers tot handelen, geestelijk en/of fysiek, met vaak nare gevolgen voor de directe omgeving. Ik houd me dus liever verre van harde oordelen over buitenlandse conflicten, die gebaseerd zijn op (en dat kan niet anders) beperkte en gekleurde berichtgeving.’ Er is geen hard oordeel nodig om te zeggen wat je voelt.
Dautzenberg trekt van leer tegen het hedendaagse voelen, denken en gedragen, zoals de binaire scheiding tussen slachtoffer en dader en tussen goed en kwaad; de eigen kwetsbaarheid die ‘in de etalage’ wordt ‘gezet’; het ‘behartigen van bubbelbelangen’; de ‘cosmetisering van het leven’ en het ‘vieren van de buitenkant’ – maar altijd met humor en vanuit een betrokken houding. Dautzenberg is een zwaardvechter die de wonden die hij bij anderen aanbrengt zelf ook weer toenaait. Hij is eerst kritisch, cynisch, combattief, maar staat onmiddellijk daarna met een pleister klaar. Hij pleit voor meer weerbaarheid, maar in de eerste plaats ten dienste van nuance en empathie – ten dienste van de ander. Dat Dautzenberg – op z’n Jiddisch – een Mensch is, staat onomstotelijk vast na het lezen van zijn brieven aan Hettie, een kennis met veel onzekerheden die op een gegeven moment ook haar man verliest.
Voor een niet-postuum dagboek is dit buitengewoon open en authentiek. Dautzenberg appeleert zo indringend aan het individu, dat ook de recensent niet anders kan dan vanuit zijn ‘ik’ te spreken. (Eigenlijk had deze bespreking een brief moeten zijn.) Alleen de essays, verhalen en toespraken die hij hier verzamelt laten een derdepersoonsoordeel toe. En dan moet deze recensent toch zeggen dat Dautzenbergs essay over sadisme in het werk van Gerard Reve, dat eerder verscheen in het Hollands Maandblad, een behoorlijk saai en academisch werkje is. Al speelt mijn ik ook mee: ik hou gewoonweg niet van essays die, zoals Dautzenberg aangeeft, willen ‘tonen’ in plaats van ‘analyseren’ en ‘reflecteren’. Volgens mij speelt de schrijver hiermee de door hemzelf beklaagde ‘ontlezing’ in de hand. Het hedendaagse essay is, van Amsterdam tot de kantoren van The New Yorker, een vervangend verslag. In plaats van het volledige werk van Reve te lezen kan de lezer nu een trefwoord en een auteur opgeven en er zal wel een essay bestaan dat de passages opsomt waar X in het werk van Y voorkomt. Dautzenbergs tekst over sadisme in Reve is er zo eentje. (Zijn essay over het verliezen van een kind, geschreven voor een vriend die het overkwam, is daarentegen prachtig.)
Slok me op!
Een goed dagboek ‘verdagboekt’ het leven van de lezer. Hij begint zijn dagelijkse leven te beleven in dagboekformaat. Hij stelt zich voor hoe een belevenis beschreven zou kunnen worden, door Dautzenberg of door hemzelf. Dat effect had dit boek op mij. Een bezoek bij de opticien of bij mijn schoonouders belandde onder de slagschaduw van een mogelijke dagboeknotitie.
Dat Dautzenberg van meta houdt, is overduidelijk. Hij zegt het zelf ergens. Onvermijdelijk beland ook ik in zijn grote metaspel, want uit dit boek blijkt dat alles voor hem literatuur kan worden – ROMAN, zoals hij EN GARDE! op de titelpagina bestempelt. Recensies van De vijf worden gesampled, mails naar recensenten overgenomen – allemaal met de nodige commentaar. Het is dus goed mogelijk dat, mocht Dautzenberg beslissen ook in het jaar 2026 een dagboek bij te houden (wat ik hem en uitgeverij Prometheus ten stelligste aanraad), deze bespreking deel van zijn oeuvre wordt. Ik voel me met andere woorden geobserveerd en genoodzaakt kunstjes te doen voor de alles-auteur. Deze totale literarisering van zijn omgeving is een van de grote verlokkingen van EN GARDE!, alsof de titel ook een waarschuwing voor de ander is: pas maar op als je met mij te maken hebt! Anton, zo noem ik je nu (ook al heb je dat niet graag), verscheur me maar op de meest sadistische manier!
Reactie plaatsen
Reacties