Emiel Roothooft
Als straks de wolven komen, wat moeten we nu dan doen? Liesbeth D’Hoker (1984), die geregeld in dit tijdschrift publiceert, doet al het mogelijke. Ze probeert ons voor te bereiden op een onzekere toekomst, ze observeert alles nog eens voor een laatste keer met verscherpte aandacht, ze beschermt momenten (en zichzelf) tegen de teloorgang door middel van de herinnering, of ze schrijft simpelweg poëzie omdat ze niet anders kan. Haar poëtica is niet de mijne, maar ik moet haar prijzen om haar vastberadenheid en veelvormigheid. Ze stelt de poëzie, en niet in het minst zichzelf, serieuze eisen.
Manke taal
‘Lichamelijkheid, herinnering, beweging, kwetsbaarheid en verlangen bepalen deze vaak zingende gedichten’, staat op de achterflap te lezen. Zingen doet het wat mij betreft niet en de genoemde onderwerpen zitten er zeker in, maar zo ook ontelbare andere – van thematische discipline is hier weinig sprake. Ik zou bijvoorbeeld nog kunnen toevoegen: het verlies van de wereld, als betekenishorizon en huis. Ook de ontoereikendheid van taal is een centraal motief. Die drijft soms tot wanhoop, maar kan in zeldzame gevallen ook communicatie bevorderen. Zo vraagt een kind aan een rouwende volwassene: ‘zie je al iets meer licht vandaag?’, waarop die laatste antwoordt: ‘meten is geen weten, lief kind’. Het is een dubbelzinnige vraag, want het kan zowel over een gemoedstoestand als over de lengte van de dagen gaan. Nu weet het kind dat het antwoord ‘neen’ is, maar ook dat zoiets niet eenduidig ergens af te lezen valt. Vanuit de oncommuniceerbaarheid van emoties komt men er toch iets over te weten.
D’Hoker is lid van het collectief De Klimaatdichters. Er zitten dan ook heel wat klimaatgedichten in haar debuutbundel. Zo is er ‘canicule’, wat Frans is voor ‘hittegolf’ en van het Latijnse woord voor ‘teefje’ (canicula) afstamt; de meerzinnigheid van de titel betrekt een ongrijpbaar weerfenomeen direct op het leven. De fysieke uitwerkingen van het klimaat lopen door het hele gedicht. De verteller is ‘een wonde’ met een ‘verkalkte geest’, die verlangt dat iemand hem de huid afstroopt zodat hij een vis kan worden en ‘in de lichtheid’ kan zwemmen. De beste vondst is het woord ‘karsteenzaamheid’: ‘steen’ en ‘eenzaam’ lopen onmerkbaar in elkaar over. (In een klimaatapocalyps zal ieder levend wezen steenzaam worden.) In een ander gedicht, ‘uit het lood’, ook weer die parallellie tussen binnen- en buitenwereld: ‘het seizoen is vermoeid, de geest is vermoeid’. In het motto van Virginia Woolf, ten slotte, dezelfde oriëntatie op het grote buiten: ‘These are the soul’s changes. I don’t believe in aging. I believe in forever altering one’s aspect to the sun.’
Buitenwaters
Het meest geslaagde klimaatgedicht is ‘reddeloos manifest’, omdat het in twee richtingen gaat. Naast poëzie over het klimaat te zijn, ziet het in de klimaatverandering ook een aanleiding om zichzelf te bekritiseren. Hieronder enkele strofes:
nee, mijn lief, zie je
ik hou niet zo van binnenwaters
van echt, van letterlijk
van het opschuimende directe zelf
van poëzie, ranke klanken, borstklopperij,
waterlanders, onmiddellijkheid,
vanmijvanmijvanmij, biecht
na biecht weer verliefd op eigen broedsel
dat niet wil zien waarin het ons aan wereld ontbreekt
(…)
hoor je hoe iedereen aldoor niemand heet,
oh! die pussies aan hun paal gebonden,
was in de oren nog, lonkend naar
sirenen nog gulzig onbezorgd
koralen in vergane baaien, verbleekt,
onwelriekend eau de vie
nee, mijn lief, voor mij geen poëzie
die draaikolken in navels droomt, moedwillig
blind blijft voor averij (…)
(…)
nee mijn lief, de zee is van niemand
Met ‘hoor je hoe iedereen aldoor niemand heet, / oh! die pussies aan hun paal gebonden, / was in de oren nog, lonkend naar / sirenen’; ‘draaikolken’ zitten we in Boek XII van de Odyssee van Homeros, de peetvader van de poëzie. En we zitten in de klimaatverandering: ‘koralen in vergane baaien, verbleekt, / onwelriekend eau de vie’; ‘averij’. Wat verbindt de twee? De verteller zegt niet van poëzie te houden, maar waarom eigenlijk? Is de poëzie medeplichtig aan de klimaatverandering? De brug tussen beide wordt door de zee geslagen: het eeuwige poëtische klankbord, alsook het eerste zichtbare slachtoffer van de klimaatverandering. Over de natuurlijke zee wordt gezegd dat de koralen erin vergaan, terwijl zij die ernaar kijken ‘nog gulzig onbezorgd’ zijn.
Al vanaf het begin van onze literatuur wordt haar schoonheid zonder verdere zorg bezongen. Over de metaforische zee – de ‘binnenwaters’, oftewel: het menselijke gevoelsleven – wordt gezegd dat het op zichzelf gericht is (‘vanmijvanmijvanmij’) en dat we er ‘verliefd’ op zijn terwijl ‘het ons aan wereld ontbreekt’. Onze innerlijke ‘zee’ krijgt met andere woorden meer aandacht dan die buiten ons. En de poëzie heeft meegespeeld. Ze heeft de natuur gebruikt als projectieoppervlak voor het ‘ik’, zonder de toehoorder aan te sporen zich om de natuur zelf te bekommeren. Dit ‘reddeloos manifest’ laat zich in een gebod samenvatten: kijk naar de natuur als natuur, niet als een uitbreiding van jezelf; schrijf poëzie voor de natuur, ‘geen poëzie / die draaikolken in navels droomt’. (In ‘nel blu’ neemt D’Hoker dan weer de wetenschappelijke natuurwaarneming op de korrel.)
Het pleidooi plooit ook terug op onszelf. In ‘geslepen berglicht’ wordt iemand aangespoord in de bergen naar een licht te zoeken dat ‘los’ en ‘vrij van jou’ is – om in de natuur dus niet in de eerste plaats naar jezelf op zoek te gaan (in tegenstelling tot wat de mindfulness-cultus ons aanraadt). De slotscène maakt het nog concreter: ‘wees alleen nog lichaam, geraamte en spier // geen gedachte houdt stand’. De hele bundel wil de focus naar de lichamelijkheid verleggen. Alleen door onszelf als een pijngevoelig lichaam te beschouwen komt het besef over wat voor leed wij de ander aandoen, of die ander nu een dier, een mens of een hemellichaam is.
Opstapelingen
In de hedendaagse poëzie worden vaak woorden opgestapeld in de hoop op cumulatief effect. Ook D’Hoker weerstaat niet aan deze verleiding. Hier en daar is de woordenstroom gepast, maar er zijn te veel gevallen waarbij het op een droge opsomming neerkomt. Wat doet het derde vers in deze strofe uit ‘ik had maar wat graag’ bijvoorbeeld?
nu woon ik in moeizaam spreken,
verzonkenheid van lange autoritten
zwerfsteen, najade, onderwaterader
tot de maan weer vol is en vermoeid
als vanzelfsprekend schuurt
tegen de adem van mijn voetstap
verstrooide witte wolkjes tegemoet
Een ander cliché is de (herhaalde) sentimentele aanspreking, zoals ‘weet je nog’, ‘mijn lief’, ‘vriend’, ‘lief kind’, ‘zullen we’. Het geeft het gedicht een intieme, conversationele toon die vaak moeilijk te rijmen valt met de inhoud. Deze gebreken ten spijt, is D’Hoker wel sterk op conceptueel vlak. Ze heeft veel nagedacht en dat komt meestal ook over. Het is alleszins geen toeval dat de imperatief ‘weet’ hier meer dan eens valt.
Reactie plaatsen
Reacties