Femke Brockhus
Wie de nieuwe dichtbundel van Vlaamse dichteres en theatermaker Maya Wuytack (1987) ter hand neemt, zal meteen van alles opvallen. Ten eerste, de lange titel: Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij. Ten tweede, de gebruiksaanwijzing die je in het colofon terugvindt: ‘Er zijn twee manieren om door deze bundel te reizen. De eerste reis is de allesomvattende, je leest alles, stelt je bloot aan alle stromingen. Bij de tweede reis maak je sprongen, laat je je meevoeren door de getijden van versmelting en sla je de verscheurende over. Je leest enkel waar de zinnen naar elkaar toestromen, uitgelijnd naar het midden.’ Tot slot is er de zorgvuldige vormgeving van deze bundel, met het weldadig dikke papier, de rode draad waarmee het werk gebonden is en de mysterieuze zwart-witbeelden, gespreid over twee bladzijden, die de verschillende delen van de bundel van elkaar scheiden. Deze bundel is, zoals het deze maker goed gelegen is, een belevenis.
Het gaat over een liefdesrelatie die triomfeert in passie én waarin – wellicht na verloop van tijd – problemen zijn geslopen. De vraag rijst: wat is er precies voorgevallen? Aan het woord zijn innerlijke stemmen (specifieke bewustzijnstoestanden, rollen die we kunnen aannemen ten opzichte van de ander) die de relatie beschouwen, in de vorm van getuigenissen. Wuytack vangt aan met ‘op heden zijn voor mij verschenen’, waarna een paginalange opsomming volgt: ‘de onbekende, de wederziel, de nachtwandelaar, de geliefden, de ongerepte, de wenende, de troostende, de onvervangbare’, en dan nog een tijd zo verder. Je stelt je een strafzaak voor waarin er een gebeurtenis wordt gereconstrueerd, om te bepalen wat er is gebeurd, waarom het is gebeurd en bij wie de schuld ligt. De hele bundel kijken we afwisselend door de ogen van die verschillende rollen. In heel korte stukjes, vaak één zin lang, reflecteren ze op de relatie.
Zo zijn er bijvoorbeeld de geliefden die stellen: ‘werelden komen ons/ van binnenuit omhelzen’. De toevertrouwde stelt: ‘verbeelding draaide zich om/in jouw armen/als een kind wiegde je haar’. Hier wordt woorden gegeven aan de sensatie van verliefdheid, aan de fase in een relatie waarin alles zich lijkt te richten op verbintenis, het willen hechten aan elkaar, hoe verwachtingen en dromen ontstaan; alles voor een gedeelde grond. Sommige stemmen komen meermaals aan het woord, zoals geliefden: ‘een wind van licht die door ons heen huivert’.
Een paar keer wordt de tekst onderbroken door beeld. Ik zal niet te veel weggeven, maar de zwart-witbeelden die de bundel in domeinen scheidt, laten een moment van toenadering zien, die gaandeweg duidelijk wordt. Waar het eerst lijkt of er alleen een lichtstraal wordt gevangen (wit met gefaseerd grijs), tekent zich verder in de bundel het beeld af: wat zich naar elkaar toe beweegt (een ingezoomd beeld) wordt herkenbaar.
Na de sensaties van vurige liefde in Iets wat raaskalt, vangt er een taal aan van twijfel en pijn. Hier is de kakofonie van de meerstemmigheid helemaal goed op zijn plaats: binnen een complex gevoel als twijfel bijvoorbeeld, schieten stemmen heen en weer, kan men vervallen in melancholie en gemis, om direct daarna woede te voelen. Treffend en pijnlijk stelt de stem van ‘de onderhuids aanwezige’: ‘ik zag een hart/dat met mes en vork/zichzelf opat’. Dat liefde ergens een onmogelijke toestand is, wordt indringend duidelijk. Wanneer de pijn haar intrede doet, vraag je je als lezer af welke onderliggende gebeurtenis de twee geliefden in allerlei rollen uiteen laat vallen. De ‘toevertrouwde’ stelt: ‘ik zag haar geheim/door het raam/haar gadeslaan/ze sloeg niet terug’.
Er is iets vreemds de liefde ingekropen. Het duurt even voordat dit vreemde wordt aangeraakt, we lezen bewoordingen als ‘vermoed me’ en ‘tot waar de laatste hoorbare gedachten/oplossen in een voorgevoel’. Duidelijk wordt dat er iets verloren is gegaan: ‘dode dromen’, ‘onderkoelde dromen’. Na deze constatering is er afwisselend berusting (‘niemand raakt aan/wat niet voorbestemd is om te leven’) en wanhoop. En jawel, dan spreekt de onherroepelijke: ‘terwijl we vreemdgaan met het tijdsbesef/dat de chronologie in haar restvormen past/als een prothese schoonlikt/maar nog steeds geen poot om op te staan’. Er is een illusie die wordt doorbroken: ‘het wegbrandend gordijn/van wie we dachten te zijn’. De pijn komt voort uit ontrouw.
Wat volgt is rouw, gemis: ‘woordeloze gebeden/opgehoopte stilte’. Er worden pogingen gedaan om de geschiedenis van de relatie te analyseren, om te begrijpen waarom er iets gekanteld is. Duidelijk wordt, zoals vaker wanneer je de dingen van een afstand beziet: ‘veel dingen zijn gebeurd voor dit gebeurde’. De geliefden spreken: ‘de droom staat ons tot de lippen’. Dat geeft precies weer wat zeer doet (wat is er allemaal stukgegaan aan heden én toekomst?) én dat die prangende droom een bindmiddel is (de hoop op een goede afloop in een gewijzigd verhaal).
De dynamiek van geliefden, die elkaar maken en breken, wordt genadeloos blootgelegd in deze bundel, juist door de meerstemmigheid te laten klinken. De verschillende invalshoeken laten zien hoe liefde razendsnel leidt tot verbinding en toekomstdromen, maar zich óók ontwikkelt: een stel bestaat uit twee personen die nog altijd ieder voor zich een andere kant op kunnen bewegen. De afhankelijkheid die dat oproept, is zowel tragisch als wonderschoon: ‘een zoeklicht/waadt door ons weten/onder onze huid/die pas bestaat/als ze wordt aangeraakt’. De subjectiviteit van de liefde (ieder zijn eigen gedachten, interpretatie, beleving) zorgt ervoor dat het onder de loep nemen van een liefdesgeschiedenis eigenlijk nooit kan neerkomen op één conclusie. Als iedereen zijn zegje heeft gedaan, wordt er dan ook besloten: ‘de andere getuigen zwegen/sommigen slikten/sommigen knikten/iemand neuriede/iemand sliep’.
De bundel heeft een origineel besluit: ‘PS vermoede bewijslast waar niemand over sprak’, met een opsomming van tekenen waarvan ik er een paar zal aanhalen, zoals: ‘het vertraagd wortelschieten in een spinnenwebbend lichaam aan flarden gescheurd’, dan onder meer ‘een achterwaartse slikbeweging’, ‘een terugkerend gevoel voor vallen’ en ‘een kristal vol heimwee’.
Iets wat raaskalt omvat een polyfoon onderzoek dat korte impressies van een liefde biedt, haast fragmenten van fragmenten. Het beeld wat me tijdens het lezen inviel, was een knipperend licht in een donkere kamer: telkens heel even is er iets te zien. Wuytack snijdt haar taal zorgvuldig en bijzonder scherp op maat, waardoor elke zin gonst. Het is muzikaal, ook doordat bijna alle tekst (binnen de tekst) uitgesproken wordt. Het is bijzonder knap hoe de verschillende rollen en hetgeen ze zeggen in elkaars verlengde liggen: het past allemaal precies. Haar poëzie zit vol rijk geladen en originele beelden, wat bijzonder is als je je rond zo’n veelbeschreven onderwerp beweegt. Niet te snel lezen, kan een goed advies zijn. Je kunt de mooie zinnen onderstrepen, tot alles onderstreept is.
Reactie plaatsen
Reacties