Barbara Fraipont
Twee vrouwen, Jackie en Elena, wonen onder één dak in een naamloze grootstedelijke omgeving – vlak naast pompstation Mauro. Deze setting vormt de spil voor de nieuwe roman van de Nederlandse schrijfster Marie Kessels (1954). Kessels schrijft wel vaker over vrouwelijke op het eerste gezicht weinig opmerkelijke personen die zoals Arjan Peeters reeds in 2002 zei over Kessels’ roman Het nietigste, ‘overdag hetzelfde werk als zijzelf [doen]: namelijk het verkopen van broodjes, drank en sigaretten in de stationskiosk van een provinciestad’. De dertigjarige Jackie Wernet, ik-protagonist en verteller, herstelt kleren in opdracht van een vooral mannelijke clientèle. Dit is Jackie’s keuze: Jackie heeft er vóór het eigenlijke verhaal begint voor gekozen de bureaucratische wereld, waar ze in ‘haar functie van bureaumedewerker bij Kaersenhout […] beslag [legde] op oceanen van levende mensentijd zonder er veel voor in ruil te geven’ te verlaten om zich volledig toe te wijden aan het handwerken, en zo ook aan het handschrijven:
Nu grijpt dit schrijven met de hand op zichzelf al behoorlijk diep in mijn leven in, ongeoefend in het handschrijven als ik ben. Niet minder diep dan het runnen van een winkel, of het delen van een etage met koppige Elena. Volgens een vorige week afgesloten weddenschap krijgt ze dubbele maandhuur van me plus nog een mooie Glen Taloch om ’s nachts in bed verzaligd van te nippen uit miniglaasjes nauwelijks groter dan mijn vingerhoed, als het handschrijven me bij nader inzien toch te veel moeite is en de laptop lonkt.
In het verhaal tracht Jackie haar zendingen en opdrachten uit te schrijven zonder computer of internet. Ze heeft overigens een duidelijke voorkeur voor de ‘overtuigde handenmensen’. Deze handwerkers zijn Jackie’s medepersonages over wie ze danig veel vertelt dat je bijna vergeet dat het hier ook over Jackie zelf gaat. Vooral Fred, Elena’s ex-partner die tegenwoordig obsessief bezig is met de doodstraf, en Elena bij wie Jackie intrekt en die accordeonles geeft aan jongeren, staan centraal. De vertelling zit zo in elkaar dat je soms de indruk krijgt dat Jackie en de andere personages letterlijk vanuit dezelfde stem spreken en één zijn, wat op narratologisch vlak interessante inzichten oplevert.
Voor wie van een ware spanningsboog houdt is Kessels’ boek evenwel niet weggelegd, want in het verhaal gebeurt er vrij weinig. Het begint anekdotisch in de nacht van 25 september met Fred en Jackie die samen affiches ophangen in het kader van hun Kring-activiteiten. Waar die affiches om draaien en wat de Kring precies is, is vanaf de aanvang niet meteen duidelijk. Kessels’ roman leest eerder als een eclectische uitstorting van anekdotes, gedachten en conversatieflarden.
Eén vertelstem, vele identiteiten
Niet alleen een zekere afwezigheid van spanning maar ook Kessels’ bijzondere schrijfstijl kan er eerst voor zorgen dat je als lezer moeite krijgt om in Jackie’s vertelde leefwereld binnen te dringen. De uitgesponnen en soms gekunstelde en toch strak gecomponeerde zinnen zijn soms zwaar op de hand. Jackie’s doorrazende en vaak uiteenlopende gedachtenstroom dwingt je soms even stil te staan bij wat je net gelezen hebt.
Ondanks die vertelstijl is er toch een aanwijsbare structuur in op te merken. Het boek is opgedeeld in negen hoofdstukken. Elk hoofdstuktitel verwijst naar materiaal waarmee Jackie kleren herstelt om er nieuwe te maken. De tijdspanne loopt van 25 september tot 7 oktober. Zo begint elk hoofdstuk met een datum van een verder onbepaald jaar – ‘in dit historische slechtweerjaar’. De start van het verhaal op een regenachtige herfstdag verwijst hier naar een nieuw begin, een levensbepalende keuze: Jackie opent na haar omscholing haar kledingherstelwinkel. Dit is dan ook de hoofdhandeling waarbij andere keuzes aansluiten, zoals Jackie’s keuze om alleenstaande te blijven, om bij Elena te gaan wonen, om in haar winkel aan huis foto’s van ‘jazz-helden tegen de muur’ te prikken ‘als troef en lokmiddel’ voor haar klanten, of om in de toekomst een pompstation samen met Dylan te openen.
Het boek bestaat uit allerlei handelingsgerichte keuzes die hier overwoekerd raken door achronologische terugblikken, gedachten en herinneringen aan de vele mensen rondom Jackie: niet alleen Fred en Elena, maar ook haar overleden vriend Manu die hen gratis massages gaf, de ambassadeur van de Stichting Kickboksen voor Meisjes Anisca, Jackie’s stagiaire Bertje, of nog haar vriend Dylan, haar klant Nelson, de kinderen Tyler en Joy. Allen hebben ze een aandeel in Jackie’s dagboekachtig relaas en vormen ze een waar surplus.
In de evaluerende beschrijving die de verteller van haar medepersonages geeft aan de lezer, die af en toe wordt aangesproken, schommelt het perspectief tussen betrokkenheid en afstand:
Nelson, lezer die graag bij de les wordt gehouden, is dat ene prachtige dwarshoofd met die onoverwinnelijke weerstand tegen een al te grif delen van zijn persoonlijke gegevens tijdens een eerste telefoongesprek. Herinner je zijn knorrige, vermoeide stem, niet te moe om elk woord afzonderlijk glanzend op te wrijven met een perfecte dictie.
De dominante vertelstem vertakt zich ook via die andere personages die soms zonder gemarkeerde overgang beurtelings het woord nemen, vanuit verschillende gezichtspunten. Dit heeft als effect dat de ik-verteller tegelijk één en geen eigen identiteit lijkt te hebben maar verschillende, en dat de ik-vertelling ook nu en dan overgaat in een wij-verhaal:
Hier onder ons harde schedeldak is het zo ingericht dat verreweg de meeste ruimte wordt ingenomen door dingen als: enthousiast naar onszelf toe redeneren, ons onheus bejegend voelen en dan dikke krokodillentranen huilen, ons blindstaren op de eigen pijnen en pijntjes. Komt je dat bekend voor? Dat is mijn punt.
Treffend aan Kessels’ vertelstijl en taal is hoe de vertellers gedachtegang materieel-metaforisch wordt gepresenteerd, als een ingerichte woonruimte met bovenkamers waarin verschillende gezamenlijke gevoelens en emoties zouden huizen. Terwijl Kessels’ protagonist het ‘niet meer ononderbroken met woorden hoe[ven] te jongleren als eerste voorwaarde voor een goed functioneren’, als een ‘ware verlossing’ ervaart en de woorden wantrouwt, gaat Kessels in haar boek net heel speels en tastbaar om met de taal en het schrijven en weet ze de woorden en zinnen zo te transformeren tot pure (abstracte) kunst.
Wonen als levensstijl
De scheppende kracht van taal gebruikt Kessels in haar roman om vorm te geven aan een woon- en levensstijl gedeeld met anderen. De personages leven naast elkaar samen in de stad, ‘samen met de stad, of tenminste op hetzelfde stuwende ritme als de stad’. Vanuit hun andersheid, veelal als randfiguren, brengt Kessels ze samen om het ‘geluk, lezer, [dat] aan de grote sinaasappelbol [groeit]’ te plukken. Wat dat geluk is, houdt allicht verband met de manier waarop Kessels door haar alziend en scherp observeringsvermogen de aandacht vestigt op het nietige en futiele zoals ‘onder de overkapping van pompstation Mauro in Noord, een draaiende wastrommel vol’ of ‘afgeknipt haar [op] de badkamervloer […] als eén lachwekkende does’. Het boek fungeert zo als een vergrootglas op de individuele kleine levens van mensen die door de stad en het handwerken verbonden zijn met elkaar.
Wonen is dan niet alleen een motief via Jackie’s reflecties over de vastgoedmarkt, maar de eigenlijke motor van Kessels’ verhaal waarmee een manier van leven en werken wordt geïmpliceerd:
Nu wist ik best dat een vrouw met mijn profiel weinig kans maakte in dit deel van de binnenstad ook maar een bezemkast in de wacht te slepen als woon/werkruimte. Toch kon ik het niet laten om me bij het zien van elk raam zonder gordijnen en plantjes in de vensterbank te verliezen in fantasieën over betaalbaar wonen hier onder mijn neus. Hier zou ik binnenkort mijn winkel heropenen!
Het boek werpt dan ook een aantal levensfilosofische vragen en bedenkingen op over de huidige tijdgeest mede door de vele verwijzingen naar de popcultuur. Niet dat hier een echt diepgaande reflectie over komt, het blijft eerder bij een kleurrijke voorbij flitsende stoet van iconische namen of portretten: ‘Greta Garbo zie ik ertussen, de onvermijdelijke Garbo. Grace Jones. Sinéad O’Connor. Vivienne Westwood. Naast Westwood twee wijdbeens poserende radicale feministen uit de undergroundscene van Alma Ata. Lonken naar de camera is er niet bij.’ De auteur focust toch vooral op de details van het dagdagelijkse (stads)leven, en dat mag. Jammer dat het soms wat zwaarbepakt uitvalt waardoor ‘het leven eruit’ dreigt te glippen om de woorden van Kessels’ tijdgenoot, Charlotte Mutsaers, te gebruiken.
Kleren herstellen met ‘kleine dieren’
De aandacht die uitgaat naar kamers en huizen zoals het in de gaten houden van een verlaten villa, Huize Vishnu, door Fred en Jackie (die zich de ‘maandagavond-oppassers’ noemen) is onderhevig aan de overkoepelende aandacht in de roman voor het materiële, het stoffelijke. Dit vertaalt zich in Jackie’s kledingherstelactiviteit waarbij ‘de weesklerenrek’ volgens de protagonist de ‘kern [vormt] waar heel de rest zich omheen verzamelt, waar het zijn soliditeit aan ontleent, waardoor het samenhang krijgt, een eenheid vormt’. Die bezigheid is ook de kern van Kessels’ roman: de meditatieve aandacht waarmee Jackie kleren repareert, weerspiegelt de manier waarop de verteller haar medepersonages, al of niet opdrachtgever, nauwlettend beschrijft en probeert te doorgronden:
Maar of ze dik zijn geworden of veel aan gewicht hebben verloren, ze melden zich pas bij mij of bij een van mijn collega-kledingherstellers nadat ze zowat gestikt zijn in hun chagrijn over hun niet meer passende lievelingskleren. […] Tot, ineens, even pijnlijk, het besef bij hen insloeg hoeveel gelukkige illusies ze aan het dragen van dit coole jasje hechtten, hoeveel macht ze eraan toeschreven. Ze hadden het nog niet aangetrokken of ze vormden als mens onmiddellijk één samenhangend, robuust geheel. Nogal een verschil met de verdomde bouwval die ze nu waren.
In de manier waarop Kessels materialiteit verbindt met gedachten, momenten en beelden van anderen schuilt een poëtische toewijding. Kessels weet erg tastbare beelden op te roepen die tegelijkertijd iets verwonderlijks hebben. Jackie herstelt kleren met materiaal zoals chitine die ze met ‘kleine dieren’ als snuitkevers en muizen vervaardigt:
Terwijl Fred randjes klei onder zijn nagels uitpeutert boven een kom zeepwater, bedek ik dode snuitkevers met verschillende tinten nagellak voor een opdracht die volgende week af moet zijn. Voor mijn kleine dieren kan ik terecht bij een snel groeiende groep particulieren die het graag zien als ik in mijn werk hun opgespaarde kevers of hun muizen gebruik. Laatst heb ik de mouwen van iemands bloes nog gerepareerd met muizenbotjes. Aanvankelijk was mijn opdrachtgever niet verrukt van het idee. Maar uiteindelijk kreeg ik hem toch mee. Hij heeft de benodigde muizen hier nog samen met mij staan prepareren, opgelucht omdat hij zich tenminste weer kon vertonen, straks op het jaarlijkse bedrijfsuitje, in deze powerbloes waarvan ik de slijtplekken onzichtbaar had gemaakt.
Net als het schaalvormige kwalachtig gepolijst kunstobject op de vooromslag wekt ook deze passage een bevreemdend gevoel op. Kessels verheft de alledaagsheid en het anekdotische tot een hoger niveau, waarbij iets uit het leven zelf verstart zoals het schild van een kever in een kledingsstuk een afgewerkt kunstobject wordt. Kessels’ fictioneel dagboek is evenwel onaf: het leven gaat op het einde voor Jackie en haar medepersonages – na de dood van hun vriend Manu of na Freds brandincident – gewoon door. Zo ook het leven na Jackie’s keuze.
Reactie plaatsen
Reacties