Vaders voorbij: alles waar Ivo Michiels niet over schreef. Over 'Wat ik haar niet vertelde' van Sigrid Bousset

Sofie Gielis

Sommige boeken vragen moed. Omdat ze over vaders gaan – biologische en geestelijke – en over de moeizame kunst om je van hen los te maken. Omdat ze laag na laag persoonlijke herinneringen afschrapen tot wat bloot komt te liggen raakt aan de fundamenten van de auteur zelf. Omdat ze voorbij moeten aan ontnuchtering, loyaliteit en schuldgevoel, zowel van anderen als van haarzelf. Dit boek, in deze vorm, vraagt moed.

Wat ik haar niet vertelde is een biografie van experimenteel auteur Ivo Michiels (1923-2012). Of beter: het had een biografie moeten worden. Zo had Ivo Michiels het in ieder geval voor ogen toen hij Sigrid Bousset in zijn Franse dorp Le Barroux voorstelde als ‘ma biographe’. De contouren leken helder: zij, de bevoorrechte getuige van zijn leven, zou het verhaal vastleggen. Maar gaandeweg koos Bousset ervoor haar eigen stem te laten spreken. Ze wilde niet louter herhalen wat ook voor haarzelf lange tijd als waarheid gold, niet kritiekloos het zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld van de schrijver bevestigen. Het resultaat is een boek dat de grote lijnen van een leven volgt, maar tegelijk de conventies van de klassieke biografie mijdt. Waar de doorsnee biograaf zo dicht mogelijk bij zijn onderwerp probeert te geraken, doet deze biografe alle moeite om afstand te creëren.

Die afstand was noodzakelijk, want haar betrokkenheid was diep. Sigrid Bousset groeide namelijk op met Ivo Michiels. Haar vader, Hugo Bousset – hoogleraar Nederlandse literatuur en jarenlang hoofdredacteur van Dietsche Warande & Belfort, schreef een proefschrift over Michiels’ werk. Wat begon als academische fascinatie groeide uit tot een persoonlijke vriendschap. De gezinnen raakten innig bevriend. Als kind al kwam Sigrid over de vloer, eerst in Zonnegem, later in het Provençaalse paradijs van Michiels. Ze speelde met de katten, raakte betoverd door de geuren van het Zuiden en de kleerkast van de elegante Christiane. Later, als jonge vrouw, werd de band ook professioneel. ‘Ivo en Christiane werden haast familie. Mijn leven raakte met dat van hen vergroeid’, schrijft ze.  Ze maakte een documentaire over hem voor de Vlaamse televisie, promootte zijn werk en publiceerde een gesprekkenboek met Ivo dat de weg naar een biografie effende.

Die nabijheid biedt haar een unieke inkijk in het persoonlijk leven van Michiels, maar betekent ook dat ze moet balanceren tussen intimiteit en afstand. Hoe schrijf je over iemand die je dierbaar is zonder in verheerlijking te vervallen? Hoe blijf je eerlijk zonder te beschadigen? Bousset formuleert het zelf mooi als een ‘daad van liefdevolle ontluistering’. De genegenheid is oprecht, maar die weerhoudt haar er niet van om het aura van de schrijver af te pellen.

Het boek vertrekt vanuit een intiem moment: het laatste gesprek dat Bousset voert met de stervende Christiane, de vrouw van Michiels. Daarmee verschuift het zwaartepunt subtiel. Of eigenlijk gebeurt dat al vroeger want wie de cover bekijkt leest nergens de naam Ivo Michiels. Wellicht omdat die naam niet meer zo luid klinkt? Schrijvers vervagen na hun dood sneller dan beeldend kunstenaars of muzikanten in de publieke herinnering. Wie, buiten een handvol literatuurstudenten, kent nog de man die met Het boek alfa het experimentele proza in Vlaanderen op de kaart zette? De doorgedreven radicaliteit van de tiendelige Journal Brut cyclus? Maar de afwezigheid van zijn naam is meer dan een marketingkeuze: ze markeert een inhoudelijke verschuiving. Niet langer is hij de onbetwiste spil. Christiane neemt eindelijk minstens evenveel ruimte in.

Het hoofdstuk over Christiane vormt de emotionele ruggengraat van het boek. Haar persoonlijke opofferingen zijn eindeloos, maar ze worden vooral pijnlijk zichtbaar als blijkt dat ze de man rond wie haar wereld draait bewust deelt met een andere vrouw. Op slechts één voorwaarde: dat hij erover zou schrijven. Niet eens alles voor de man, maar alles voor zijn creativiteit.

Bousset trekt dit open via de verhalen die ze onderweg tegenkwam en verruimt het boek zo tot een portret van een tijdsgeest waarin vrouwen vaak in de schaduw van mannelijke kunstenaars leefden. Ze schetst een generatie mannen die zich als autonome geesten profileerden, soms bijna als goden, hun verlangens en obsessies met pen of penseel temden terwijl hun vrouwen zich inschikkelijk opstelden. ‘De pijnlijke waarheden vonden we bij hun vrouwen. Die stonden ontvankelijk in het leven, toonden zich invoelend en genereus. Als vrouw kon ik onmogelijk hun beleving, hun twijfels en geheimen níet meenemen in dit verhaal van een generatie op zichzelf gerichte mannen’.

Het hoofdstuk sluit af met een emotionele analyse van Christiane, de rekening van haar rol:

Wie was Christiane? Aan de ene kant de vrouw, alleen met zichzelf, verscholen in haar notitieboeken. Tegelijk was ze Ivo’s liefhebbende partner vol levenslust, de koninklijke verschijning met de poezen en de bloesems, de vrouw met wie ik opgroeide. Beide zijn even waar. In wat ze schreef, ontdek ik een poëtische, verlangende, zoekende ziel over wie ik had willen waken, met wie ik op pad had willen gaan. Lachend om mannen, hoe ze zijn, hoe we ondanks alles naar ze verlangen, als minnaars, beschermers, vaders. Misschien zou ik haar hebben aangeraden aan haar eigen behoeftes tegemoet te komen, talenten te ontwikkelen. Ze vond vervulling in het geven, maar deed zichzelf tekort in het zich wegcijferen voor de ander. Ze had de leeftijd van mijn moeder, ik was een plaatsvervangend kind, ik kon haar gelijke niet zijn, haar maatje, haar behoeder. Dat was zij voor mij. Maar wie beschermde haar?

 

De emoties wegen door in deze zinnen. Ze schrijft over wat voor haarzelf nog rauw is. Begrijpen, zo benadrukt Bousset dan ook, is een proces, ‘ook in de betekenis van “begrip, opbrengen”. Je niet vastrijden in oordelen of eindigen met onwrikbare waarheden’. En die houding vertaalt zich in de vorm van het boek. Zinnen eindigen vaak met een vraagteken. Gedachten worden tastend geformuleerd, soms staccato, alsof ze nog in beweging zijn. Het boek ademt het besef dat herinneren hard en soms ongemakkelijk werk is.

Fragmentatie is ook voelbaar in de keuze om wat Ivo Michiels zelf niet beschreef onder te brengen bij Rik Ceuppens. De schrijver Ivo Michiels werd niet geboren met die naam. Wel als Henri Ceuppens, Rik voor de vrienden. In de hoofdstukken over Michiels’ oorlogsverleden hanteert Sigrid Bousset die oorspronkelijke naam. Hoewel dit op het eerste gezicht een vormelijke omweg lijkt, en het even wennen is aan deze Jeckyll-&-Hyde-typologie, raakt ze zo aan de kern van de constructies die Michiels rond zichzelf optrok. De heer Ceuppens heeft namelijk een tot nu toe niet publiek gemaakt strafdossier: Rik is een collaborateur. Hij sloot zich aan bij DeVlag en volgde in de zomer van 1944 een opleiding tot Germaansche SS’er in het Kasteel Horst in Schoten.

Die onthulling werpt een ander licht op de keuze voor een nom de plume. Als veroordeelde verloor Michiels niet alleen zijn burgerrechten, maar ook het recht om te publiceren. De inspiratie voor een pseudoniem zocht hij dichtbij: hij nam de naam aan van zijn eerste vrouw, Yvonne Michiels, en bouwde onder die naam een oeuvre en reputatie op. Later zou hij beweren dat hij pas debuteerde met de roman Het afscheid, zijn eerste beweging richting experimenteel proza. De klassiekere romans die hij daarvoor publiceerde deed hij af als irrelevant en hij spoorde lezers aan om ze te negeren. Maar de publicatie van Het afscheid is dus niet zijn eerste gedaanteverwisseling.

Het pseudoniem was geen louter praktische oplossing; het werd een nieuwe identiteit. Ivo verdrong Rik. Hoe sterk hij samenvalt met zijn pseudoniem en de zelfontworpen man die daarbij hoort, blijkt als hij trouwt met Christiane die tot op de dag van hun huwelijk niet wist dat haar man een andere naam aannam. Net zoals ze er een paar weken later pas per toeval achterkwam dat hij een zoon heeft.

Die thematiek van ouder en kind loopt als een onderstroom door het hele boek. Bousset kon het verzwegen strafdossier inkijken dankzij Ivo’s eveneens verzwegen zoon Guido: ‘niemand kende het. Zijn zoon liet het me inkijken, moedig, onafwendbaar. Ik luisterde naar zijn verhaal, tekende het op en gaf hem zo zijn plek als zoon terug.’ Een plek die Michiels zelf een groot deel van zijn leven angstvallig meed en opvulde met spirituele zonen Hugo Bousset en dichter Dirk Christiaens. Dit wordt schrijnend geïllustreerd door een anekdote waarin Ivo een boek signeert voor Guido met Voor Hugo, m’n zoon.

Hugo is niet de enige figuur die hier schippert tussen vader en zoon. De band tussen Christiane en Ivo is er ook een van haast kinderlijke afhankelijkheid in beide richtingen. En Sigrid, het ersatzkind dat Christianes kinderloosheid verzachtte, worstelt met de knellende invloeden van (mogelijk door haarzelf geprojecteerde) verwachtingen van het intellectuele overwicht van vaders Hugo en Ivo. ‘Naar wiens model had ik mezelf gevormd?’ vraagt ze zich af. Haast verbaasd omdat ze, ruim voorbij de helft van haar leven, nog steeds niet helemaal los is.

En daar raakt het ene thema het andere. Als de tachtigjarige Ivo gevraagd wordt een verwant uit te nodigen voor het programma Titaantjes, kies hij Sigrid. Maar zelfs daar lijkt haar positie enkel bepaald door haar mannelijke familiebanden. Ze wordt aangekondigd als ‘de vrouw van’ en ‘de dochter van’. ‘Niets over wie ik zelf was en wat ik deed’.

Wat ik haar niet vertelde heeft niet de ambitie om een allesomvattende, monumentale biografie te zijn, zoals die verschenen over andere literaire reuzen. Sigrid Bousset maakt vooral plaats voor de leemtes die Ivo Michiels dichtkalkte in zijn zelf geconstrueerde verhaal. Alles wat nièt verteld, nièt benoemd werd: het oorlogsverleden, de verborgen zoon, de wegdeemsterende vrouw in de schaduw, de affaires. In die zin is Wat ik haar niet vertelde een aanvulling op Michiels’ eigen teksten: wat het licht mocht zien werd daar, sterk versleuteld welliswaar, al verteld. Dit boek vult de omcirkelde leegtes die Michiels zelf liet bestaan.

‘Je wilt er wel eens vanaf, niet?’ merkt historicus Bruno De Wever, die Bousset helpt bij het reconstrueren van Michiels’ oorlogsverleden, op. Het wordingsproces van dit boek vroeg tijd. Loslaten was geen optie, goedpraten evenmin. Daar sta je dan met je persoonlijke betrokkenheid bij de levens die je beschrijft. De warmte die je ervaren hebt is echt, maar tegelijk leg je haast archeologisch een grote eenzaamheid en constructie van angst bloot. Door te zwijgen, zijn verleden te verstoppen in een labyrint van literaire constructies, weggemetseld achter de muur van de ‘autonomie’ van de tekst, werd Michiels eenzame opsluiting alsmaar groter. Misschien is dat wel wat Sigrid Bousset uiteindelijk laat zien: dat wat niet gezegd wordt, vaak langer nazindert dan alles wat wel werd uitgesproken. Zij lucht respectvol en betrokken eindelijk die kamers en biedt Ivo postuum een uitweg. Geen vrijspraak, noch een veroordeling, maar een ruimte waarin zijn menselijkheid zichtbaar wordt.

 

BIBLIOGRAFIE

Sigrid Bousset, Wat ik haar niet vertelde. De Bezige Bij, Amsterdam, 2025.

Sofie Gielis over Sigrid Bousset
PDF – 111,8 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.