Maarten Buser
Het is raar om over De dichter en de duivel van Lieke Marsman (1990-2026) te schrijven. In de eerste plaats is dat omdat Marsman zo belachelijk oneerlijk jong aan kanker is overleden; in de tweede plaats omdat je daar niet omheen kunt in een bespreking van haar laatste bundel. Misschien is het wel een kwestie van derde of zelfs vierde plaats, want zoveel ruimte kan zo’n overlijden innemen. De dood lijkt nu eenmaal een enorm convergerende invloed te hebben op kunstbeleving. Ik denk nu ook aan het tien jaar geleden verschenen laatste album Blackstar van David Bowie, die een week later overleed en elke poprecensent steeds dezelfde twee, hooguit drie zinnen citeerde om te beargumenteren dat het om een afscheidsalbum ging. Is De dichter en de duivel een afscheidsbundel? Ja, wellicht, of ten dele, maar daar is de bundel net te divergerend voor. Kom ik op terug, beloofd.
Het gegeven dat dit Marsmans laatste bundel is, dwingt me min of meer om haar ontwikkeling als dichter – en als schrijver in bredere zin – in kaart te brengen. Dat heeft ook te maken met de in-memoriamberichten op sociale media die je in ongeveer twee categorieën kon verdelen: citaten van de latere, politiek geëngageerde Marsman, maar ook veel uit haar bejubelde debuutbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010). Ze werd toen onthaald als een soort wonderkind en mede door haar jonge leeftijd leek ze poëzie toegankelijk te maken voor een hele generatie jonge aankomende dichters. Een in die tijd – en in de in-memoriamberichten – vaak geciteerd gedicht is het vijfde uit de reeks ‘Woensdag’:
Ik lees een boek van achter naar voren en weet dat ik
zo meteen op de bladzijde kom waar iemand een kruisje
heeft gezet voor de allermooiste zin. Wat de allermooiste zin is
weet ik nog niet, maar het is de zin waar ik ’s nachts om huil
omdat het ochtend is en ik een nacht niet heb gehuild
omdat het ochtend… Zo keer ik wat ik denk om in cirkels,
alsof ik met mijn wijsvinger een kristallen glas laat zingen.
Ik keer het om totdat het achterstevoren en binnenstebuiten
of omgekeerd is. Wanneer ik bij de zin met het kruisje kom,
sla ik de bladzijde om en beland in het deel van het boek
waarin alles nog goed was.
Zou het gedicht nu weer geciteerd worden omdat het zo mooi het verbaasde parlando van de vroege Marsman laat zien, dat velen tot de poëzie heeft bekeerd? Of zit het hem ook stiekem in dat slot, dat na haar overlijden natuurlijk heel anders valt? De melancholie in het gedicht lijkt ook juist veel harder aan te komen, bijna als een bewijs dat het donkere altijd al in Marsmans poëzie heeft gezeten. Maar wellicht is dat het convergerende van de dood.
Wie De dichter en de duivel erbij pakt, herkent dat typische Marsman-parlando, alsof ze hardop nadenkt of ergens omheen cirkelt. Een deel van deze bundel is in terzinen geschreven die overduidelijk verwijzen naar Dantes Goddelijke komedie, net als de uiterst wrange openingsregels: ‘Mijn leven was pas half voorbij toen ik verdwaalde / in een donker woud van managers- en makelaarstaal, / waar een reeks verkeerde keuzes me mijn pad deed missen.’ Dat is de opmaat van een losjes verhalende bundel waarin een naamloze dichter per ongeluk in haar verse koophuis de toegang ontdekt tot Onder-Nederland: duidelijk geïnspireerd op Dantes hel, maar vooral een lachspiegel van wat er allemaal mis is in Nederland. De verhalende rode draad is de suggestie van een onderwereld waarin mensen terechtkomen die om allerlei redenen een deel van hun ziel hebben moeten opgeven. De redenen snijden hout:
Mensen, welke het woord ‘welke’
op deze wijze gebruiken om intelligent
of professioneel over te komen
zijn psychopaten, echter geldt dit ook
voor mensen die het woord ‘echter’ gebruiken
om hun domheid te verhullen.
Hierop staat een boete van 0,0008 ziel
of een overeenkomstig bedrag
in een cryptomunt naar keuze.
Onder meer deze regels schetsen een soort hel, of op zijn minst een vagevuur. Daarom is het zo verwarrend dat de eveneens betreurde dichter Esther Jansma (1958-2025) hier opduikt als een soort gids aan wie de dichter vraagt of het eng is om te sterven. Andere ontmoetingen zijn immers met Dick Schoof (op moment van schrijven de vorige premier van Nederland, die een uiterst rechtse coalitie leidde) en Gerrit Zalm: de socialist die naar de neoliberale VVD overstapte en tussen 1994 en 2002 de Nederlandse minister van Financiën was.
Dat de politiek geëngageerde Marsman hen opvoert in de hel – excuus, Onder-Nederland – is allerminst verrassend. Ook in vorige boeken heeft ze kritiek op het neoliberale beleid – met name op de gezondheidszorg – en haar ziektegeschiedenis met elkaar verknoopt. Die twee thema’s bracht Marsman al in De volgende scan duurt vijf minuten (2018), waarin ze de behandeling van haar kanker koppelde aan forse kritiek op de perverse marktwerking in de Nederlandse zorg. Ook in haar gedichtenbundel In mijn mand (2021) waren ziekte en politiek thema’s. Marsman zette zich daarmee neer als een geëngageerd dichter, nadat ze ook al haar klimaatveranderingsroman Het tegenovergestelde van een mens (2017) publiceerde.
De verwijzingen naar Schoof en Zalm doen vermoeden dat De dichter en de duivel niet geschreven is met het oog op de eeuwigheid, maar op het hier en nu. Dat is overigens ontzettend, nou ja, sympathiek: geen abstract afscheid met wat quasi-dichterlijke metaforen (zie wederom: David Bowie, Blackstar), maar poëzie die in zekere zin zijn houdbaarheidsdatum heeft. Marsman is maatschappijkritisch en schertsend; misschien ook wel een beetje bitter, of op zijn minst verslagen. Dat komt – ik zou bijna schrijven: natuurlijk – door haar ziekte, maar ook door de staat van Nederland en de wereld in bredere zin. Ze verwijst naar Russische dissidenten, naar de situatie in Palestina, het klimaat. Al die lijnen komen niet altijd even goed bij elkaar, waardoor de bundel zo’n divergerende indruk maakt. Ook geeft ze de Nederlandse, rechtse tv-columnist Angela de Jong (Algemeen Dagblad) een flinke veeg uit de pan, door haar als personage op te voeren dat dingen zegt als:
dat extreemlinkse mensen hogere lonen
en meer bomen willen. Dan denk ik,
die rechtse mensen zijn zo gek nog niet.
Dat is toch gewoon zo? Nou dan!
De lompe toon zit niet eens zo heel ver af van wat De Jong normaal met de wereld deelt. Toen de Nederlandse weerman Piet Paulusma overleed, sprak ze op de radio deze om allerlei verkeerde redenen onvergetelijke woorden uit: ‘Nederland is altijd op zijn mooist en op zijn liefst als mensen ziek zijn, dat heeft [Paulusma] zichzelf ook wel op die manier ontnomen en dat vind ik heel spijtig voor hem.’ Die woorden klinken door wanneer de dichter een narcistische influencer ontmoet, wat de opmaat is voor een interessant spelletje ‘is het hoofdpersonage nu Lieke Marsman of niet?’ De influencer vraagt: ‘Wacht, ben jij niet die ongeneeslijk zieke dichter?’ De dichter antwoordt:
‘Eh… daar heb ik het liever niet meer over. Ik heb misschien
een boek over mijn ziekte geschreven en, dat geef ik toe,
eindeloos veel interviews gegeven, maar het is zwaar
wanneer mensen de hele tijd je gezondheid of eigenlijk dus
het gebrek daaraan als aanleiding nemen om je ergens voor
uit te nodigen. Welkom dichter, jij bent ongeneeslijk ziek. Hoe
is het om zo jong en zo ziek te zijn? Vandaag in onze podcast:
dichter, die ongeneeslijk ziek is. We zeiden het net al even,
jij bent ziek. Ongeneeslijk ziek. Wil je misschien een lezing
komen geven over hoe het is om ongeneeslijk ziek te zijn
op onze middag over ongeneeslijke zieke mensen?’
Het ontzettend lullige antwoord had van De Jong kunnen komen: ‘Wat jammer dat je het zo negatief bekijkt, ik ben zelf juist altijd dol op content over mensen die ongeneeslijk ziek zijn.’ Tegen een dergelijke muur loopt de dichter ook wanneer ze in gesprek gaat met de eerdergenoemde Gerrit Zalm. De dichter herinnert zich ‘hoe hij een stabiele factor was geweest // in mijn kindertijd, een gezicht op het Jeugdjournaal’. Inmiddels ziet ze hem als een minister die ‘had toegestaan dat de verzorgingsstaat werd stukgemaakt.’ Ze zegt onder meer tegen Zalm:
‘Het gaat mij niet om links of rechts,
maar om de vraag: ben je anno 2026 nog in staat
om een gelaagde boodschap te ontvangen,
of reageer je alleen nog maar wanneer iemand
de realiteit voor je platslaat of opklopt?
Daar zit, als ik echt bij mezelf te rade ga,
mijn grootste verdriet. Dat we met kale taal
en rechtlijnige algoritmes een rommelige wereld
hebben gecreëerd, in plaats van andersom:
een wanordelijk gespeld maar helder prachtig paradijs.’
Marsman wijst hier ironisch genoeg de Achilleshiel van de bundel aan. Net als in onder meer In mijn mand expliceert ze graag – wat misschien ook wel een consequentie is van dat denkerige parlando –, met name als het om politieke ideeën of kritiek gaat. Het hoofdstuk met het gesprek met Zalm is vooral indringend gelaagd wanneer hij jeugdherinneringen van de dichter versnijdt – of infecteert – met de rechtse afbraak van Nederland: ‘Terwijl jullie Telekids keken, verdeelden wij / het land, de olie, de bloeddiamanten.’ Ook wijst hij haar op vermeende hypocrisie: ‘jij geniet nu toch ook / van de hypotheekrenteaftrek?’ (Wrang detail: in 2018 schreef het NRC dat Marsman geen hypotheek kon krijgen en het haar zo verdrietig maakt dat ze zal sterven zonder eigen keuken.) De analyse is sterk, maar het politieke commentaar ligt er soms net te dik bovenop om gelaagde poëzie te zijn. Iets vergelijkbaars geldt ook voor hoe de dichter een gevoel van eenzaamheid beschrijft en via een lange reeks aan Marsmaneske vergelijkingen uitkomt bij:
een bestand, laten we zeggen verjaardagloes7.jpeg,
dat per ongeluk in het mapje belastingaangifte2022
is terechtgekomen
en alle andere bestanden in dat mapje
gaan over de belastingaangifte van 2022.
Een pracht van een beeld, die verdwaalde foto, maar een beetje lezer kan heus wel raden wat er normaliter in de map ‘belastingaangifte2022’ hoort te staan. De verdeling in terzinen maakt de regels nog wat onbeholpener. Deze onnodige explicitering is gelukkig een zeldzaamheid, maar er vallen vaker onvolkomenheden en inconsistenties op. De aanwezigheid van Jansma in de hel werd al genoemd, maar Marsman snijdt zoals gezegd ook net te veel thema’s aan zonder ze echt substantieel uit te werken. Zulke kritiekpunten confronteren me met een vraag die ik mezelf liever niet stel: ben ik een lezer die onevenwichtigheden niet aan de kant kan schuiven, wegens het tragische lot van de auteur? Ook dat maakt De dichter en de duivel lezen vaak moeilijk, om nog maar te zwijgen van het erover schrijven.
De epiloog van de bundel is overigens een ronduit ontroerend schot in de roos, juist vanwege de kennis over Marsmans overlijden. De dichter leidt een laatste gedicht – een lied noemt ze het – zo in:
Ik heb eens gelezen dat je als je wordt opgesloten
in een ruimte zonder prikkels, bij wijze
van marteling, bijvoorbeeld, of per ongeluk
omdat je een onfortuinlijke mijnwerker bent,
of misschien gaat er tijdens een grottentocht iets mis
waardoor je diep onder de grond vast komt te zitten
in het niet-antwoordende zwart,
dat je je brein dan zo veel mogelijk bezig moet houden
met het reciteren van wat je je maar kan herinneren,
bij voorkeur gedichten, die zich daar goed voor lenen.
Ik had voor dit moment geoefend.
Ik kende veel gedichten uit mijn hoofd.
Ja, dit zijn onmiskenbaar de woorden van iemand die zichzelf haar eigen dood probeert voor te stellen, of op zijn minst haar begrafenis; zeker nadat het lied regels kent als: ‘soms is de grond gewoon de grond / die aardlaag waar de doden in verdwijnen / en haal je adem maar het zand komt tot je mond’. Ze kondigen een slot aan waarin Marsman allerlei thema’s en formuleringen uit de bundel over elkaar schuift, onder meer door letterlijk terug te verwijzen naar de confrontatie met Gerrit Zalm. De aller-, allerlaatste regels zijn vervolgens van een mysterieuze schoonheid die Marsmans oeuvre afsluiten met een gelaagde boodschap:
we wisten het niet, dat er veel meer dan dit bestond
een wanordelijk gespeld maar helder prachtig paradijs
al die kanaries, al die kolenmijnen
Reactie plaatsen
Reacties