Zoals Manet momenten vangen. Over 'Nevenwezen' van Donald Niedekker

Lars Bernaerts

In Donald Niedekkers roman Nevenwezen volgen we een anonieme jongen die in de jaren zeventig en tachtig opgroeit in de Zaanstreek, in een landschap gedomineerd door rivier en windmolens. In zijn Zaanse dorp loopt hij geregeld binnen bij kapper Pluis, boekhandelaar Noomen of bakker Fijn. De sfeer is er hoffelijk en gemoedelijk. De jongen raakt bij de kapper in de ban van een rubberen bolletje dat een magisch wolkje damp verspreidt en wordt wereldwijs door de boeken die hij bij Noomen vindt.

De personages die de jongen omringen, zijn door weinig anders dan hun beroep getekend: kapper, bakker, molenaar, melkboer, sigarenverkoper. Meer dan zijn ouders, broer of zus is het die goedmoedige middenstand die hem lijkt te vormen. Het lokale leven speelt zich in en omtrent de handelszaken af, die dicht bij de bewoners staan en die hun authentieke behoeften schijnen in te lossen. De voorstelling van het dorpsleven is haast zo idyllisch als een door de oogharen gelezen streekroman, terwijl de stad hier geldt als ‘een optelsom van eenzaamheden’.

Kwaadaardige tentakels van het kapitalisme zijn de handelszaken in het dorp dus geenszins. Veeleer zijn ze plekken waar magie kan ontstaan en waar de jongen kennis kan opdoen. Ze voeren hem naar andere streken, of het nu gaat om de verhalen die hij afluistert bij de kapper of de postzegels uit Tanzania die bij de sigarenboer te verkrijgen zijn. Ondertussen is hij een gulzige lezer en legt hij in multomappen verzamelingen aan met weetjes die zijn blik op taal, cultuur en geschiedenis verruimen. Ook voor andere dorpsbewoners leveren de jaren zeventig nieuwe vensters op de wereld. Bakker Fijn is verrukt wanneer hij voor het eerst cashewnoten proeft en introduceert ze meteen in zijn bonbons.

            Maar het is vooral dat andere ingrediënt van bonbons dat iedereen in het dorp bezighoudt: de cacao. Aan de Zaan staat de fabriek van Verkade, waar de dorpelingen de cacao zien aankomen en vertrekken. De fabriek en de cacao verbinden het dorp nog het meest met de wereld en brengen het steeds luider klinkende ritme van productiviteit en globalisering met zich mee. De slagbomen van de fabrieken volvoeren ‘in een duet met de wijzers van de fabrieksuurwerken hun mechanisch-repetitieve dans, die hectoliters, tonnen en pallets levensmiddelen mat.’ De cacao leidt de jongen naar het onbekende. Uit een artikel in Kijk schrijft hij weetjes over de Azteken en het woord cacao, ontleend aan het Nahuatl, over.

 

Anders vertellen

De roman licht de verbindingen tussen dorp en wereld niet toe, maar laat ze sierlijk opstijgen uit een opeenvolging van vignetten, bijna honderdvijftig notities waaruit de roman bestaat. Elk vignet heeft een titel die begint met ‘over’. Sommige titels keren terug: ‘Over de tijd’, ‘Over de ander’, ‘Over een vraag’, ‘Over Narcissus’. De notities zijn vaak impressionistisch zoals de ‘berichten’ over de vroege morgen die Niedekker in Ochtenden (2023) verzamelde. Samen vormen ze het verhaal van de jongen verstrengeld met andere perspectieven. Niedekker hanteert zodoende opnieuw een aparte vertelwijze die geheel is toegesneden op de thematiek. De verteller van zijn roman Als een tijger, als een slak (2015) – waarin we eveneens een Zaanse jongen leren kennen die de cacao ruikt en houdt van schaken en verzamelen – was een gedicht. In Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost (2023) liet de auteur dan weer een ontdooiende dode uit de zestiende eeuw aan het woord.  

Nog voor de eerste notitie van Nevenwezen maakt de lezer kennis met de intrigerende omlijsting van de vertelling: twee Centraal-Amerikaanse goden, de gevederde slang Quetzalcoatl en de bloemengod Xochipilli, leiden het verhaal in. Nu en dan onderbreken ze het met hun commentaar. Hun gesprekken worden geciteerd door een verder onzichtbare verteller. Ze herinneren eraan dat cacao oorspronkelijk een religieuze betekenis had voor Centraal-Amerikaanse volken zoals de Maya’s en de Azteken. De twee goden zien hoe de cacao zich over de hele wereld verspreid heeft en constateren: ‘Het had niet anders kunnen lopen, we kunnen het wel anders vertellen.’ Het verhaal over de jongen is hun alternatieve vertelling.

De meeste vignetten zijn een momentopname of beschrijving, maar samen suggereren ze een tijdsbeeld en een ontwikkeling in het leven van de jongen. We vangen geruchten op over de Lockheed-affaire, betasten de cassettebandjes, kijken mee naar de beeldbuis. Tot het tijdsbeeld dragen ook de notities over contemporaine politici bij. Daaruit spreekt een fascinatie voor enkele internationale politieke leiders, vooral van sociaaldemocratische signatuur: de Nederlandse minister-president Joop den Uyl, de Duitse bondskanselier Willy Brandt, de Zweedse premier Olof Palme en de Tanzaniaanse president Julius Nyerere. Hun politieke rol in de jaren zeventig ensceneert op het eerste gezicht een geschiedenis van bovenaf, die contrasteert met het alledaagse leven in de Zaanstreek. Maar dat is niet de teneur van de notities in kwestie. Ze zoomen niet historisch uit maar geven impressies, nu eens biografisch dan weer documentair van aard: ‘Willy tokkelde op de mandoline, Olof begon de Fridtjof-sage te declameren en Joop strekte zijn armen ten teken dat hij in de polonaise voorging. Bruno Kreisky sloot zich aan. Salvador Allende haakte aan, Mario Soares, Felipe González, Julius Nyerere…’ Desondanks is de inzet politiek: de roman evoceert wat mogelijk en denkbaar wordt in de sociale en democratische bubbel van de jaren zeventig.

 

Het bitter in het zoet

Het alternatieve vertellen door Quetzalcoatl en Xochipilli staat in het teken van het door de titel aangekondigde nevenwezen. Naast de jongen plaatsen ze een tegenhanger, een eveneens anonieme jongen in West-Afrika. Zoals het verhaal van de Hollandse jongen begint zijn verhaal met het wolkje damp van kapper Pluis, met een rivier en met cacao. Wat verschilt, is niet alleen de locatie maar ook de toonaard. In het verhaal van de Afrikaanse jongen is de ontluistering nooit ver weg: de koloniale geschiedenis van de cacaoplantages, de gevaren van migratie en de armoede van de vluchteling. En zo zaait de cacao zowel verbinding als verdeeldheid. Niedekker roept dat spel van nabijheid en afstand op in lyrische bewoordingen: ‘Het diepe bruin, het bittere bruin, het ontvlambare bruin dat de tong zoete sprookjes vertelt, dat verhaalt, voor wie het proeven wil, van de gevederde en de geschubde, van het zoet en het bitter en van het bitter in het zoet, dat zingt van de om de evenaar slingerende guirlandes van cacaoplantages.’

De visie dat het ene (bitter) in het andere (zoet) zit, doortrekt de hele roman en zit dan ook in de verhouding tussen de twee jongens. Het Narcissus-motief maakt de complexiteit ervan verder duidelijk: de mythologische Narcissus ziet in het spiegelbeeld niet zichzelf, maar een ander die een droombeeld van zichzelf is. Zo krijgen ook de jongens gestalte in een ‘spel van reflectie, weerkaatsing en projectie’. 

Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat de twee paden elkaar zullen kruisen. Vanuit Afrika onderneemt de ene jongen een lange en gevaarlijke tocht naar Europa. Hij belandt in Parijs, waar hij overleeft door water te verkopen aan mensen die in wachtrijen staan. Toevallig komt hij in het bezit van een ticket voor een grote Manet-tentoonstelling. Daar is het dat de twee elkaar in de jaren tachtig treffen. Niedekker laat de onafwendbare ontmoeting plaatsvinden zonder bombast, maar het effect is des te indrukwekkender.

 

Van indruk naar mogelijkheid

Dat Manet de twee bijeenbrengt, zegt iets over de esthetica van de roman zelf, vertolkt door de aspiraties van de Hollandse jongen. Hij wil de zintuiglijke indrukken die hij opdoet in zijn leefwereld aan de Zaan niet zomaar verloren laten gaan. Zijn voorbeelden zijn twee schilders: ‘Hij wilde ogenblikken vangen, zoals Monet en Manet dat hadden gedaan, precies en in volkomen vrijheid, spelend en de werkelijkheid betrappend.’ Terwijl Monet voor hem de schilder van de waarneming is, geeft Manet ‘een les […] in mogelijkheid’. Geïnspireerd door de controversiële cover van The Last of the Mohicans (1982), een album van de Engelse groep Bow Wow Wow, kiest hij voor Manet. Op de cover staat een heropvoering van Le Déjeuner sur l’herbe (1863).

De Afrikaanse jongen is ook op dit punt zijn tegenhanger: hij kiest eveneens voor beeld en verbeelding. Zijn persoonlijke verleden bewaart hij in een kalebas en de geschiedenis van zijn cultuur draagt hij mee in de hem vertelde verhalen. Hij herinnert zich het verhaal over de heilige slang: ‘Hij wist dat het om een beeld handelde. Net als het woud en de toverkracht waarover zijn grootvader sprak, net als de kalebas van zijn tante. Beelden die je bij je droeg. Ze maakten werkelijkheden, mogelijkheden zichtbaar waar je anders aan voorbij zou gaan.’

Wat voor de twee jongens een levenshouding is, is voor de goede verstaander van het boek tevens een literatuuropvatting. Zoals het een fijnzinnige roman zoals deze betaamt, gaat hij tenslotte ook over literatuur. De roman demonstreert de talige transformatie van zintuiglijke ervaring naar beeld en verbeelding. Met een gamma van stijlmiddelen – van onomatopee tot synesthesie en ekphrasis – activeert Niedekker het zintuiglijke geheugen om de geuren, kleuren, geluiden en smaken uit de omgeving van de jongen te verlevendigen. De schrijver houdt verder van lijstjes en schuwt geenszins de syntactische middelen – een afwijkende woordvolgorde of een kronkelende zin – als de scène daarom vraagt. Hoor maar:

Er liep geen draad door het huis, het waren klanken, heldere dansante klanken, en die regen zich aaneen, als stromend water, pianoklanken, niet van zijn moeder, niet van het claviatuur met de zwarte en witte toetsen in de woonkamer, het kwam van boven, uit de kamer van zijn broer, weer leidde het spoor naar zijn cassetterecorder, waarin het lint zoals het hoorde ordentelijk om de spoeltjes draaide en waaruit de noten dartelden als zwaluwen die de stal uit de lucht in vlogen, alle kanten op en toch verbonden via een beweging of impuls, terwijl zijn broer met gesloten ogen op bed zat.

Niedekkers Nevenwezen biedt kortom zintuiglijke weelde en stilistische finesse. Tegelijk schuiven ongedwongen allerlei lokale en mondiale, economische en politieke perspectieven de roman binnen. Het boek is een prachtig weefsel van subtiele verbanden tussen herinnering en droom, waarneming en verbeelding, dichtbij en veraf.

 

BIBLIOGRAFIE

Donald Niedekker, Nevenwezen. Koppernik, Amsterdam, 2026.

Lars Bernaerts over Donald Niedekker

PDF – 124,5 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.