Femke Brockhus
Soms kom je een boek tegen waarvan de kaft en de inhoud opmerkelijk goed bij elkaar passen. De nieuwe dichtbundel van Paul Demets, De doodstrompet, is precies zo’n dichtbundel: het tij, een kolkende zee en een woelig strand, gevat in zwart-wit, donker en licht, in optimaal contrast. Het is vertrouwd enerzijds, dreigend anderzijds; en dat is precies het heersende gevoel in deze bundel, waarin voortdurend wordt gelaveerd tussen leven en dood.
De bundel vangt filmisch aan: de verteller loopt op een zandweg en ziet een verlaten auto, waaruit een vrouw is uitgestapt. Ze hurkt tegen een boom en terwijl hij haar nauwlettend in de gaten houdt, lijkt ze te versmelten met haar omgeving: omhelst zij de zomerlinde of de zomerlinde haar? Dan: ‘Zand waaide op, deed me jou uit het oog verliezen./ Ik had wortelschade. Verblind ging ik aan jou voorbij.’ Je voelt: er is iets menselijks aan deze verteller en tegelijkertijd kun je die menselijkheid betwijfelen: er is een zekere afstand en hij lijkt zelf niet opgemerkt te worden. Waar deze geobserveerde vrouw kan duiken in water, liggen in het mos, of tegen een boom staan, zweeft de verteller overal langs en overheen. Op een zeker moment wordt deze sensatie concreet: ‘Ik aardde niet’. Je vraagt je af: wat is de relatie tussen de verteller en deze vrouw? Zou de verteller de dood zelf kunnen zijn? Er is sprake van een zekere verbintenis, schurend aan verantwoordelijkheid: ‘Ik wist dat ik je moest dragen.’
Het eerste deel van de bundel heet ‘Auscultatie’: een medische onderzoeksmethode waarbij een arts of zorgverlener luistert naar inwendige geluiden van het lichaam. De beschouwende, afstandelijke verteller die nauwlettend tekenen van leven in de gaten houdt, is een treffende poëtische vertaling van zo’n methode. Tekenen van leven (groei), van vergankelijkheid ook, worden bekrachtigd door de zinnen die een levensloop schetsen: ‘Uit je meisjesschouders kwam een moeder/ tevoorschijn, uit je moederheupen een vrouw’, en: ‘Je nagels groeiden. Ze krasten in mijn wang’. Kun je in dit laatste beeld de dood voorstellen die bekrast wordt, juist omdat er zo wordt geleefd?
Het zoeken naar wie of wat de verteller precies is, blijft de bundel lang standhouden. Dat werpt een zekere abstractie op, maar maakt het ook interessant. Je krijgt er je vinger net niet achter. In het beschouwen van leven is een zekere dreiging waarneembaar, een doodsdrift: ‘Ik was een zoon/ die werd geboren, ik was een kind/ dat verloren liep./ Ik wilde bloeden, /maandelijks, zoals jij. En sterven /terwijl ik deed alsof ik sliep.’ Je kunt er de dood zélf in lezen die bang is om te slapen (‘Ik kon alleen maar met mijn armen maaien, /zo bang was ik om in te slapen’) of iemand die de dood voelt naderen, en daarom op een afstand is geraakt van zijn leven. De vraag rijst: wordt iemand die de dood voelt naderen, zelf een soort personificatie van de dood? Kan je de dood al in je dragen als je nog leeft?
Er komen geregeld kantelmomenten terug, overgangen, zoals het tij, maar ook het gegeven van de drempel: ‘Ik droomde dat ik op de drempel stond. /We verven alles zwart, zei je. Je zocht /naar de sluiting van je ketting. /Er bleef een rooksmaak in mijn mond.’ Even later is daar de drempel weer, nu in abstractere zin dan in een huis: ‘Nu god dood is, staan we op de drempel.’ Deze overgangen zijn interessante plekken, omdat het een bijzonder soort impasses zijn; in zekere, strikte zin is het een soort van tussenin zijn: ‘We zijn niet meer hier, bijna daar. /Onze tijd raakt nooit voltooid.’ Zo reizen we langs een thuis, zijn we in zee, op een strand, in een ziekenhuis, of bevinden we ons aan een feestelijk diner. Alles bruist én heeft een kantelpunt, een einde, een dood, een zichtbaarheid én een onzichtbaarheid (herinneringen, gemis, vergankelijkheid, de dood).
In de tussenruimtes wordt er verlangd naar een bestemming, naar rust: ‘verlangend naar de plek die ons lokt, /waar de doden ons niet langer voor de gek houden’. Er komt telkens een kind terug. Er wordt iemand uit een fotoboek geknipt. Is er een kind overleden, of wordt een levensloop opnieuw doorleefd en wordt iemand zo even weer kind in het aangezicht van de dood? ‘Zolang je een draad door je naald /schuift, zoek jij je hand en vingers niet. /Het kind is door het oog van de naald /gekropen. Het kind in de dode /die weer moet leren lopen.’ De dood lijkt dan wel dichtbij, maar nét niet helemaal in te dalen. We begeven ons dan ook in deel twee van de bundel, getiteld ‘Extirpatie’ (een medische en chirurgische term voor het in zijn geheel operatief verwijderen van een orgaan, weefsel, cyste of gezwel). Ook in het derde deel ‘Hypoxie’ (medische noodtoestand waarbij weefsel niet voldoende zuurstof kan ontvangen om goed te functioneren), komt de dood dan wel steeds dichterbij, maar is er altijd nog – zij het een flintertje – leven: ‘Ik wilde ademen, maar er lag een hand/ op mijn mond.’
De vertelinstantie wisselt in en uit ‘mijn lichaam’, bewegend tussen leven en dood: ‘Alles kwam ten einde toen alles herbegon.’ Er komt een ziekenhuis aan te pas, waar het lichaam aan wordt overgedragen: ‘Het verdween in een witte kamer met schermen.’ En: ‘Een vrouw duwde op de borstkas, zocht een ritme/ dat ik kende. Het lichaam wist niet wat het was.’ De climax is een gevaarlijke, of tenminste definitieve: het lichaam van de verteller lijkt zich steeds verder los te maken van het leven. De vervreemdende toon is passend bij de scheiding die er is ontstaan tussen lichaam en geest: ‘Ik hield op tot mijn lichaam zwierf.’
De bundel leest als een soort testament, of een getuigenis. Naast het gebied tussen leven en dood is de bundel geëngageerd te noemen. Zo komt een gepolariseerde samenleving voorbij (‘Daar voor het raam zwaaien ze, /de antivaxers en de klimaatontkenners’), de klimaatcrisis, de vluchtingencrisis (‘Iedereen liep de zee in. Of werden ze het water /in gedreven? Ik zag rubberboten, overbevolkt’) en allesomvattende maatschappijkritiek (‘Je bent mannenmoe, hittemoe, haatspraakmoe’). De wereld wordt wel geschetst als ‘een huis op drift’, waarbij de toon alarmerend wordt: ‘Daar liggen we, in de diepte. /Verdrinking is wat we elkaar aandoen. /Ons vastklampend. Een gemoedstoestand.’ De uiterste polen van leven en dood lijken op deze manier door te echoën in de grootste uitdagingen van deze tijd.
Het samenvallen met de natuur, zoals we zowel zagen bij de geobserveerde vrouw als de staat van zijn van de verteller (‘Want water was mijn lichaam geworden’), voelt hier troostrijk: dit is een oorsprong en een vredige bestemming en bovendien zijn het volle, sferische beelden die Demets schetst. Mens en natuur vermengen: ‘Spreeuwzwermen schaduwen je /wangen. Ze lijken in je handbewegingen /te verdwijnen. Ze vliegen op uit je huid /en pellen het laken van je af. Je vruchtvlees.’ Als lezer kun je even rustig uitblazen, in verstilde momenten van harmonie.
Het laatste deel van de bundel heet ‘Palpatie’: het uitwendig of inwendig met de hand of handen voelen aan een patiënt als onderdeel van geneeskundig onderzoek, waaruit spreekt dat er een noodlot is afgewend. De wereld buiten is dan wel ‘vlezig, doorbloed, klam’, maar het lichaam is intact, het wordt bewoond, het overleeft: ‘We vallen niet uit elkaar.’ Achterin de bundel is te lezen dat de reis van de verteller in de tussenruimte (leven-dood) geïnspireerd is op de ervaring van de auteur: hij kon in 2015 ‘dankzij de vaardige handen van de spoedarts en een snelle medische ingreep’ aan zijn ‘tweede leven’ beginnen. Een interessante persoonlijke noot, een welkome concrete toevoeging aan het lezen van een soms wat ijl aandoende vertelling.
Al met al levert het een pulserend werk op, vervreemdend, associatief en zoekend, waar je soms wat duizelig van wordt, maar dat vaker nog ontzettend boeit en tot overdenking stemt. Demets toont een groot vertrouwen in zijn lezer, die hij enerzijds tot het eind laat zoeken en anderzijds bedient met fijne rijmschema’s (een klassiek binnenrijm dat het binnenste van de regel met het buitenste verbindt, als een echo in de slotzin), rijpe beelden en allerlei mooie ritmische opsommingen (‘Dat vlezige, doorbloede, klamme /dat ons schaduwt, ons aanzuigt, ons voedt, /zich samenbalt als een hand /en dan verdwijnt in de opening’). Het is voorstelbaar dat een gebeurtenis als het rakelings langs scheren van de dood zich lastig laat vangen in klare taal. Van die onmogelijkheid heeft Demets kans gezien om een bijzonder sterke bundel te schrijven die de vervreemding wel degelijk in de kraag vat. Het voelt haast alsof je er ook even bent geweest, dichtbij de dood.
Reactie plaatsen
Reacties