Schrijven, een vergissing. Over 'R.I.P. Gissing' van Geerten Meijsing

Emiel Roothooft

Al in 1991 vertrouwt Geerten Meijsing zijn dagboek het idee voor een boek over George Gissing toe. Hij komt ertoe na zijn vertaling van The Private Papers of Henry Ryecroft (1903) voor Privé-domein, die in 1989 verscheen onder de titel De intieme geschriften van Henry Ryecroft. Op dat moment denkt hij dat zijn eigen ‘Gissing-boek’ nog ‘kan wachten’. Een ‘fluitje van een cent’ zou het moeten worden. In een interview op YouTube, rond die tijd opgenomen, valt ook de naam van de ‘bijna beroemde’ veelschrijver. Daarin zegt Meijsing dat hij seksuele verlangens en het schrijverschap als een vloek ervaart, net als Gissing. Wat later beschrijft hij op basis van Gissings reisverslag By the Ionian Sea (1901) het verblijf van de Brit in het Zuid-Italiaanse Cotrone (het huidige Crotone), maar daarna laat hij het onderwerp weer links liggen. In 2010 zet Meijsing in Het Gissing-syndroom, uitgegeven bij Flanor, al het een en ander over zijn obsessie op papier, maar het is pas dit jaar, op zijn vijfenzeventigste, dat hij zijn eigenlijke ‘Gissing-boek’ uitbrengt. Dat is R.I.P. Gissing geworden, een verwijzing naar een van Gissings kortverhalen, maar ook naar de dood die als een door armoede, ouderdom, tbc, syfilis en slechte verzorging opgejaagd motief steeds dichterbij komt. Zoals Gissing heeft Meijsing dit boek eruit geperst, want niets is voor hen zo pijnigend en toch noodzakelijk als het voortborduren aan ‘een omvangrijk, oeverloos oeuvre’.

‘Gissing-syndroom’

Meijsing lijdt aan het ‘Gissing-syndroom’. De symptomen zijn: het onvermogen lang op één plek te blijven wonen; een voorkeur voor ‘platte seks’ met vrouwen van lage stand en prostituees; ‘[h]et gevoel buitengesloten te zijn van de klasse waartoe je uit verdienste zou moeten behoren’; ‘de dwangmatige gedachte altijd dóór te moeten schrijven omdat je anders morgen aan de bedelstaf geraakt’; en een leven van professionele en relationele teleurstellingen, met zelfmoord voortdurend in het achterhoofd. Meijsing herkent in hem en zijn ‘dubbelganger’ ook manisch-depressieve eigenschappen, maar dat is volgens hem geen symptoom van het ‘syndroom’. Dat ze allebei geniale auteurs zouden zijn, wil Meijsing niet hebben gezegd, maar hij is het wel met Gissing eens dat alleen ongelukkige schrijvers goede literatuur kunnen voortbrengen – een hardnekkig cliché dat uiteraard onwaar is, maar de barmhartige lezer zal het de lijdende Meijsing niet kwalijk nemen.

R.I.P. Gissing is allesbehalve een traditionele literaire studie, maar Meijsing kent het oeuvre uitstekend en weet Gissings stijl goed op te roepen. Naast herhaaldelijke lectuur van Gissings romans, kortverhalen, reisverslag, dagboeken en brieven, heeft hij de belangrijkste biografieën, academische monografieën en memoires van vrienden en kennissen (waaronder H.G. Wells) doorgenomen. Dit zijn geen vrijblijvende bespiegelingen. Meijsing heeft zich de opdracht gegeven Gissings hele leven en werk, met al zijn ongerijmdheden, te overschouwen. Daarbij blijft hij steeds lichtvoetig, verliest hij zich niet in expertendiscussies of overdadig getheoretiseer. Zijn biografische aanpak levert soms interessante inzichten op: Gissings ‘late stijl’ zou volgens hem beknopter zijn omdat hij dan werkte met een vrouw en kinderen in huis, die hem in het midden van een zin konden storen.

Laatste stuivers voor Gibbon

Hoewel Meijsing Gissings geschriften enorm bewondert, is hij vooral aangetrokken door de man – een interesse die naar eigen zeggen een ziekte is geworden en waar hij zich door dit boek van af wil helpen. (De lezer heeft door dat dat niet zal lukken.) De schrijver van New Grub Street (1891), een klassieke roman over het conflict tussen geld en kunst, is voor Meijsing van belang omdat hij ondanks nijpend geldtekort schrijven als enige beroepsmogelijkheid bleef beschouwen en de marktkrachten zijn talent niet hebben kunnen corrumperen. De erkenning waar hij zo naar ijverde en die hij uiteindelijk voor The Private Papers of Henry Ryecroft kreeg, kwam te laat: hij stierf in 1903 op zesenveertigjarige leeftijd aan een dubbele longontsteking. Toch bleef de man boek na boek naar zijn uitgeverij sturen, soms meerdere in een paar maanden tijd, aan een gemiddelde van één roman per jaar (zijn kortverhalen, reisverslag, Dickens-studie en postume publicaties niet meegerekend). En dat in de erbarmelijkste omstandigheden, ook al had hij daar vaak zelf schuld aan. (Met zijn laatste geld kocht hij eens een volledige set van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbon, terwijl hij alle delen al in een andere editie bezat.) Meijsing, die dit soort leven maar al te goed kent, weet tot in zijn vertalingen toe de allesoverheersende nood aan geld te verwoorden. Zo ‘schrijft’ Gissing vaak geen bladzijden, maar ‘doet’ hij ze, als een handeling die van alle verhevenheid gespeend is. Zijn dagboek leest als dat van Kafka; in korte zinnen steeds weer die vreselijke constatatie: ‘Vandaag niks geschreven.’

Zelfs na een goeie dag blijft Meijsing met hetzelfde gevoel achter: ‘Wel kom ik altijd tekort – dat is mijn hele leven zo geweest.’ Voor Gissing zal het niet anders geweest zijn. Beiden vervloeken ze hun pen en denken ze vaak aan ophouden, al zal die dag pas komen wanneer het leven eerst met hen ophoudt. In de tussentijd zal Meijsing zijn lot moeten leren aanvaarden, want leven op zich, zonder meteen stof voor de kunst te zijn, kan hij niet. Hij verhuist naar Syracuse op Sicilië, maar in plaats van zich in de Ionische Zee te werpen, zit hij vast met zijn neus in de boeken. Deze ‘ingebonden momenten van vroeger geluk’ zijn te krachtig om niet hetzelfde voor anderen te willen betekenen.

Staar dieper

Meijsings doel was initieel om ‘een verzameling losse gedachten over mijn fascinatie voor [Gissing]’ te schrijven. Hij wou geen biografie en ook geen vie romancée schrijven, wel een roman. Maar dan moeten we toch vaststellen dat Meijsings losse gedachten, hoe boeiend en mooi geformuleerd ook, zich niet tot een roman hebben samengeklit. De meest narratieve hoofdstukken, wanneer Meijsing op basis van Gissings eigen teksten en die van tijdgenoten een belangrijke levensgebeurtenis van de auteur reconstrueert, voegen weinig toe. Passages over algemeenheden, zoals ouder worden, nalatenschap en erotiek, zeggen meestal niet veel nieuws. Over de vrouwen in Gissings leven is Meijsing te eenzijdig en neemt hij oordelen als ‘hysterisch’ en roofdierachtig kritiekloos over, terwijl hij meermaals erkent dat Gissing een misogyne kant had. R.I.P. Gissing werkt het beste wanneer Meijsing over zichzelf schrijft en Gissing slechts als aanleiding gebruikt. Zíjn relatie met een prostituee, zíjn eerste grote liefde, zíjn gefaalde schrijverschap, zíjn ballingschap in Lucca en Syracuse zijn vele malen interessanter. Net als in Gissing ziet Meijsing in zijn eigen werk ‘een persoonlijke waarachtigheid, per definitie subjectief van standpunt’. Voor een keer had de schrijver nog dieper mogen navelstaren.

 

BIBLIOGRAFIE

Geerten Meijsing, R.I.P. Gissing. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2026.

 

Emiel Roothooft over Geerten Meijsing

PDF – 162,2 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.