De vrijheid van de schrijver, tegenover een prinses. Over 'Achttien' van Maarten Inghels

Femke Brockhus

Een schrijver, de verteller met dezelfde naam als de auteur, vraagt zijn vierjarige dochter Zelda hoe zijn verhaal moet beginnen. ‘Een prinses gaat op wandel’, antwoordt Zelda.

Het begin van de roman Achttien van Maarten Inghels, Vlaams dichter, schrijver en beeldend kunstenaar, wordt zo gedicteerd door zijn dochter tijdens het bedritueel. De dochter heeft een stugge fascinatie voor prinsessen, eenhoorns en de kleur roze. Van die eerste dan wel de Disney-variant: prinsessen dragen eigenlijk nooit een broek, ze ‘zitten op een stoel en dansen met een prins’. Gaandeweg komen we erachter, uit eerdere schrijfsels die worden opgediept, dat de verteller zelf óók op jonge leeftijd koning wilde worden, dat hij eens slaapwandelend, met een dekbed als mantel, in die fantasie leefde en dat hij een tijdje de koning als ingebeelde vriend opvoerde. Het lijkt dan ook onafwendbaar dat hij instemt als hem op een dag de vraag toekomt om een portret te schrijven over kroonprinses Elisabeth van België. Het moet een kennismaking aan het volk zijn, ter ere van haar achttiende verjaardag. De verteller wordt een ‘hofleverancier in woorden’.

Nederland heeft een traditie van dit soort portretten – in de roman worden regelmatig eerdere portretten van Amalia, Koning Willem-Alexander en Beatrix aangehaald (‘De Nederlandse royals hadden zelfs een jonkvrouw die tiktokte. Nog even en het paard van de Nederlandse prinses Amalia had zijn eigen Snapchat-kanaal’), maar voor België zou dat een primeur zijn. De organisatie weet dan ook niet zo goed wat ze kan verwachten, ‘[m]aar het eindresultaat moet waardig zijn, eervol en stijlvol.’ En: ‘Humor in het portret mag [...] maar dan wel eerbiedig.’ Er worden verschillende ontmoetingen vastgelegd, waarop de schrijver de prinses beter kan leren kennen.

Het verhaal neemt een kleine wending. Als ze onder elkaar zijn bij de ontmoeting, vertelt de prinses schoorvoetend dat zij ook gedichten schrijft. ‘Natuurlijk schrijft de kroonprinses ook poëzie. Het is bij uitstek een hobby voor mensen met te veel tijd, gedichten schrijven. Wat past beter in het rijtje van zwemmen, ballet en piano dan poëzie? Haar pianohanden werden in mijn gedachten gedichtenvingers.’ Wat blijkt: de prinses heeft hem gekozen omdat hij dichter is en zij óók dicht. Ze wil dat hij wat gedichten van haar meeneemt en voordraagt, om te zien of ze overeind blijven, hoe ze ontvangen worden. Een interessant spanningsveld wordt opgeworpen: hoe verhoudt zich de positie van een kunstenaar tot een prinses? Aangenomen wordt dat deze ongekozen positie de dichter de mond snoert: een prinses kan zich onmogelijk op dergelijke wijze uitspreken. En wanneer dat wél had gekund, dan had dit werk nooit een met een onbevooroordeelde, eerlijke blik ontvangen kunnen worden.

Die eerlijke blik gebiedt helaas te constateren: ‘De gedichten van de prinses waren middelmatig.’ Tegelijkertijd roept het de vraag op of je al een stem kunt hebben op die leeftijd. De schrijver duikt zijn archief in en leest zijn werk van vroeger terug. Hij constateert dat het een hoop troep is, ‘Er was alleen die brandende ambitie om een koninkrijk vol woorden op papier te zetten.’ Ook zijn er wat verontrustende vondsten, zoals een tekst getiteld ‘Kleine gedachte bij de dood op Tom Lanoye’ en wat andere schrijfsels van boze, provocerende aard. Waar de schrijver al op vroege leeftijd een prangende ambitie voelde en veel heeft geoefend, is hij uiteindelijk een dichter geworden die een tijdlang niet meer heeft geschreven en met dit portret een broodnodige klus (het geld!) heeft aangenomen.

Maar dan wordt het project van de een op de andere dag stilgelegd. Het contact wordt verbroken. De verteller probeert de gedichten van de prinses desondanks te publiceren (onder zijn naam, op haar verzoek) bij literaire tijdschriften. ‘Plots werd het erg makkelijk voor mij. Ik was dan wel gestopt met het schrijven van gedichten maar dankzij het werk van de prinses zou ik niet stoppen met het publiceren van poëzie.’

In het laatste kwart van de roman komen we plots in een stroomversnelling: een eerder geschreven boek over een meesteroplichter dringt zich op, met bedreigingen en een rechtsgang als nasleep. Het gaat hier over het (werkelijk bestaande) boek Het mirakel van België (2021). Ook wordt duidelijk dat de prinses in haar gedichten wel erg zwaar leunde op Leonard Nolens. Hier moet de schrijver iets mee, maar wat? Dat is niet helemaal duidelijk. De rol van de schrijver begint te kantelen: van regisseur naar onderdanig subject: ‘Ik kreeg het idee dat Elisabeth goed wist welke zaadjes je moet planten voor een lente die alles verandert, maar dat ze nog te zeer in de schaduw werd gezet door haar omgeving om echt te durven doorgroeien.’ We belanden in een verwarrende brei waarin de vraag rijst wat fictie is en wat een leugen, wat de rol is van een kunstenaar (‘Kunstenaars behoren tot de weinige volwassenen die het in beperkte mate wordt toegelaten om blijvend ziek te zijn. Kunst is een vrijplaats voor gekte die zich bij het naar buiten treden als genialiteit verkoopt’) en wat de kracht is van fantasie.

In die brei komt er een humoristisch spel tot stand, wanneer de schrijver stelt: ‘Ik ging het contract met de ordonnansofficier ontbinden en mijn eigen materiaal omsmelten tot fictie. [...] Een eigengereide ridderroman over Elisabeth werd mijn glazen schoentje waarmee ik het feest van de fantasie kon bezoeken.’ Ha, is dit de roman die we lezen? Even later wordt de metalaag expliciet: een ontmoeting met de prinses vervaagt en de schrijver zit aan zijn bureau te typen. Hij begint opnieuw: ‘Een prinses gaat op wandel’.

Je hebt verhalen die een heel interessante premisse hebben, maar waarvan de uitwerking ergens wat vlak en leeg blijft. Tijdens het lezen van dit boek dacht ik geregeld: wat staat er nu op het spel? Waar gaan we heen? Inghels komt met prachtige beeldspraak: ‘Ik ging naar binnen en als een bestekla opende zich een verzilverde wereld’ en: ‘Paraplu’s met gebroken vleugels lagen als dode reigers in alle hoeken van de stad, het was een winderige dag’, maar de roman komt soms ook wat bijdehand en kinderachtig over: ‘De bezichtiging van het toilet van de kroonprinses zou de grootste bijvangst van het schrijven van dit portret zijn, bedacht ik, dat ik de échte troon van de koning kon aanschouwen, of zelfs, wie weet, kon benutten, dat wil zeggen dat ik de laatste boodschap van de koning kon overschrijven met mijn eigen boodschap, wat me zou sterken in een gevoel van gelijkwaardigheid [...].’ Soms hoopt de beeldspraak zich op, met drie vergelijkingen kort achter elkaar, waardoor de taalkracht afneemt.

Daartegenover staan mooie vondsten, zoals het gegeven dat het broertje van de prinses elektronische muziek maakt en met zijn nummer ‘Palace’ vermomd optreedt met skibril en mondmasker op. Ook is het een leuke greep om de antwoorden van het vragenlijstje dat de schrijver bij docenten heeft uitgezet om een beeld te krijgen van de ‘normale puber’ (hij wil de kroonprinses kunnen vergelijken met haar leeftijdsgenoten) in de roman te betrekken, zoals bij de vraag ‘Wat zou jij aan prinses Elisabeth vragen?’, het antwoord ‘Geef me geld’ is.

Achttien is een origineel werk, humoristisch en met vlagen interessant, dat  echter niet helemaal uit de verf komt. Inghels’ spel met taal en de risico’s (de wendingen, de metalaag) die hij neemt, zijn zeker gedurfd. Hij lijkt zijn positie als auteur optimaal te willen benutten en toont zijn vrijheid, juist door die af te zetten tegen de kaders waarbinnen zijn personages gevangen zitten. De vraag wat authentiek is, is een urgent en interessant gegeven, waarvoor een koningshuis een ideale arena vormt.

BIBLIOGRAFIE

Maarten Inghels, Achttien. Das Mag, Amsterdam, 217 p.

Femke Brockhus over Maarten Inghels

PDF – 63,9 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.