De poëzie van de eerste keer. Over 'vragen naar het begin' van Rozalie Hirs

Anne Louïse van den Dool

In haar nieuwste bundel onderzoekt Rozalie Hirs het fenomeen van de eerste keer, met extra aandacht voor de menselijke liefdeservaring. Dankzij haar welhaast wetenschappelijke benadering overstijgt vragen naar het begin het particuliere.

De afgelopen tijd werd een heel specifiek leesteken onderdeel van verhitte AI-discussie: het liggende streepje. De extra lange variant, ook wel het kastlijntje, het gedachtestreepje of de em dash genoemd, zou veelvuldig door ChatGPT worden gebruikt, en daarmee een handige aanwijzing zijn dat iemand een tekst niet zelf heeft geschreven.

Dit leesteken speelt ook een hoofdrol in vragen naar het begin, de nieuwste bundel van dichter Rozalie Hirs (1965). In vrijwel elk gedicht zijn er meerdere te vinden, bijna altijd als enige vorm van interpunctie. Een bijzondere keuze, aangezien het gedachtestreepje door taalkenners vaak juist als een wat te nadrukkelijke onderbreking wordt beschouwd, en dus beter spaarzaam kan worden gebruikt.

In eerdere bundels was Hirs eveneens terughoudend met punten en komma’s; nu lijken zij allemaal vervangen door dat ene leesteken, dat zowel in het midden als aan het einde van regels verschijnt. Neem bijvoorbeeld het openingsgedicht, ‘artefacten’, dat als volgt begint:

 

dit zijn artefacten die je tegenkomt in tegenzang van zondag op zondag —

een week overlopend in de volgende — bloeistad — waar je van houdt —

 

voor alles dus dromendagboek — archipel dicht op de huid

als hoogstpersoonlijke infrastructuur voor intimiteit en internet —

 

omgevingsgeluid als krachtige anatomie van het collectief

of co-host voor een archief van genegenheid — te voeden gereedschapskist —

 

daar speel je mee — diepzeeduiken — in een hart jeukend van solidariteit —

dompel je onder en label je data in schijnbaar grijze ruimten wijs je vooruit —

 

Waar het liggende streepje normaal gesproken een terloopse opmerking omklemt, vervult het hier de rol van cement tussen losse indrukken, die soms slechts via een enkel woord worden uitgedrukt (‘bloeistad’, ‘diepzeeduiken’). Hirs lijkt het streepje hier in te zetten om de lezer te sturen in het ritme waarin die de tekst leest, als ware het een aanduiding van het metrum, passend bij haar achtergrond als componist. Tegelijkertijd geven de streepjes de tekst juist iets opgeknipts: het is aan ons om van al deze losse artefacten een samenhangend geheel te maken.

 

Menselijke mind

Inmiddels weten we dat AI-bots heel overtuigend poëzie kunnen schrijven: ongeoefende lezers zien hun gedichten zelfs vaker aan voor werk van Shakespeare, Lord Byron en T.S. Eliot dan het werk van de beroemde dichters zelf, bleek uit onderzoek. Toch acht ik de kans dat Hirs kunstmatige intelligentie aan het werk heeft gezet klein, daarvoor getuigen haar gedichten van te veel originaliteit.

De digitale wereld dringt ook in deze bundel in meerdere vormen door – zie bijvoorbeeld het opvallende gebruik van Engelse termen, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘inleiding tot interactief lezen’:

 

houd je menselijke mind stevig vast uit angst voor/verlangen naar

een random gebeurtenis die je leven zal veranderen —

screenshot tuin of trap —

de openbarende impact van het ervaren van iets nieuws —

als een party met een nieuwe drug —

 

Een ‘menselijke mind’, dat klinkt als een tegenpool van de kunstmatige breinen die ons vandaag de dag met automatisch gegenereerde informatie overspoelen. ‘Openbare impact’, ‘party met een nieuwe drug’ – welke marketeer spreekt tot ons met deze holle frasen? Lees ik hier het resultaat van een kruising tussen ChatGPT en het CPNB, die samen pogen ons aan het lezen te krijgen?

 

Armen vol verlangen

Gelukkig is het gebruik van het liggende streepje niet de enige bindende factor in deze bundel. vragen naar het begin wordt ook bij elkaar gehouden door het fenomeen dat in de titel wordt aangehaald: het aanvangen, het starten, de eerste keer. Van de bijbelse ‘eerste ongehoorzaamheid — de eerste vrucht van de verboden boom’ uit het Hof van Eden tot de start van een zonnewind (‘een spervuur van mini-explosies alles overstraalt’) tot de eerste kus (‘sluit je huid naadloos aan de mijne’): allemaal krijgen ze een plek.

Zo vertelt Hirs, net als in eerdere bundels, een liefdesverhaal: in prachtige strofen – ‘met armen vol verlangen’, ‘je naam door mijn adem’ – neemt ze ons mee in de schoonheid van het vallen voor een ander. Daarin staat de toenemende verbintenis in lichaam en geest centraal: al lezend voel je bijna hoe twee mensen op het punt staan fysiek en mentaal te versmelten.

 

De wereld als plek vol schoonheid

Daarbij schuwt ze grote en soms wat abstracte woorden als ‘liefde’, ‘toekomst’, ‘mogelijkheden’ en ‘werkelijkheden’ niet; ze passend juist binnen het grotere plaatje dat ze schetst, waarin deze geliefden zich niet alleen tot elkaar verhouden, maar ook tot de wereld om hen heen. Mogen we haar bezingingen van de natuur – van tuinen en duinpannen vol dauwbraam, wilde marjolein en akkerdistels, bijvoorbeeld – als onderdeel van de route naar samenzijn lezen? ‘op zolder horen we samen / hoe vogels tasten naar hemel en aarde’, dicht Hirs, een plek die aanvoelt als een tent, ‘waar een uil voorbijvliegt onhoorbaar/ de zon opkomt tussen spant en knoop’.

Waar veel dichters vandaag de dag de blik richten op alle natuurfenomenen die door toedoen van de mens dreigen te verdwijnen, beschouwt Hirs ze juist als aanwijzing dat de wereld een bewonderenswaardige plek is – zeker door de ogen van verliefden, die in ieder kleurrijk en bijzonder gevormd detail een teken zien dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde. Op de mooiste momenten gaan het particuliere en het wereldse zelfs in elkaar over: ‘haast je om natte wolken uit te strooien / tot het water langs je rug glijdt’.

 

Van zon tot foton

Tegelijkertijd klinkt in Hirs’ poëzie een sterke wetenschappelijke stem door. Die laat in het eerste deel van de bundel al van zich horen, bijvoorbeeld in de natuurwetenschappelijke omschrijving van natuurfenomenen. Daarbij richt zij zich zowel op het allergrootste als het allerkleinste – van de zon tot een foton – en van het verste verleden tot het nu. Het sterkst zijn deze gedichten wanneer ze meer zijn dan een theoretische omschrijving, maar ook een emotionele lading krijgen. In ‘lambertgletsjerdal’ vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af: ‘wat als het heelal zich uitstrekt / uit expansiedrift of een schaamte / die groter en groter wordt / om de allereerste vlek onzichtbaar te maken?’ En in tethys: ‘als aanwezigheid misverstand is / tussen zijn en verlangen — / dan zijn wij dit misverstand / dat zich herhaalt / tot het zich herkent’.

Deze wetenschappelijke benadering culmineert uiteindelijk in de laatste en meest omvangrijke afdeling van de bundel, ‘wittgensteins ladder’, verwijzend naar de Tractatus Logico-Philosophicus, vaak afgekort tot Tractatus, van de Oostenrijks-Engelse filosoof Ludwig Wittgenstein. De naam van deze afdeling verwijst naar de gedachte dat met het begrijpen van iedere volgende zin de voorliggende zinnen kunnen vervallen – of, om met de woorden van de filosoof zelf te spreken: de lezer ‘moet zogezegd de ladder wegwerpen, nadat hij erop naar boven geklommen is.’

Die ladder bestaat in dit geval uit 42 gedichten, waarin Hirs hemel, aarde, mens en poëzie met elkaar in verbinding brengt. Elk gedicht bouwt, Wittgenstein indachtig, voort op het vorige. Steeds roept zij meer vragen op over hoe al deze zaken zich tot elkaar verhouden, pluist zij het fenomeen werkelijkheid verder uit.

 

Vragend om herlezing

Naar mijn persoonlijke smaak had Hirs thematisch wel wat dichter bij dat zo mooi gekozen thema van het beginnen mogen blijven; dan had ik de bundel nog nadrukkelijker gelezen als een onderzoek naar wat eerste keren met elkaar verbindt. Gedichten met een ander thema voelen nu eerder als een hinderlijke onderbreking dan als toevoegingen. Ook de inzet van het gedachtestreepje is nu, hoe origineel ook, wat overdadig (‘in de hersenen dus is het / waar je affiniteit of angst ontwikkelt — / je wordt geboren — uit schoonheid / die je kiest — of zoiets’). Verder bevatten de filosofische delen soms wat platgetreden gedachten (‘we laten ons leiden door wat gevoel in ons opwekt’).

Dat neemt niet weg dat vragen naar het begin overloopt van prachtige taal- en denkvondsten, die de leeservaring meer dan de moeite waard maken. Hirs bouwt aan een consistent en zorgvuldig vormgegeven oeuvre, dat nadrukkelijk om herlezing vraagt.

 

BIBLIOGRAFIE

 

BIBLIOGRAFIE

Rozalie Hirs, vragen naar het begin. Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2026.

Anne Louïse van den Dool over Rozalie Hirs

PDF – 104,6 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.