Het mythische sprookjesbos revisited. Over 'Moet dwalen' van Charlotte Mutsaers

Barbara Fraipont

Moet dwalen, de nieuwste roman van Charlotte Mutsaers (1942), dringt zich, al is het maar door de titel, meeslepend aan de lezer op. De Nederlandse schrijfster en kunstenares laat in dit fabelachtig relaas niet alleen haar protagonisten, Isi, voluit Isidorus Rudolf Witlamm von Waldorf en Fleur (ook wel Florence) Vischbeen, maar ook de lezer op velerlei manieren (ver)dwalen, gaande van op het verkeerde been worden gezet of de weg kwijtraken tot doelloos dolen om de (ware) liefde te vinden of spoorzoeken om iets te vinden dat men (aanvankelijk) niet zocht. De titel resoneerde voor mij als het veertien jaar eerder verschenen gedicht ‘VERDWAALD’ uit Mutsaers’ bundel Dooier op drift dat als volgt begint: ‘Heb deernis met het bos / waarin verdwaald / vermits het uit zichzelf / niet van plan was / jou te strikken’. Ook in dit nieuwe verhaal drijft Mutsaers het taalspel op de spits met een actieve poëtische rol aan het bos toebedeeld. Er vallen uiteraard meer vebanden met Mutsaers’ eerdere boeken te leggen waarmee de schrijfster verdere betekenissen en perspectieven in haar eigen werk genereert.

            Mutsaers’ boek heeft alles van een fantasierijk revisited dramaspel in drie bedrijven dat zich in een bos met Danteske allures afspeelt. Het eerste deel, ‘el Condor pasa’, draait rond het oeverloze gekissebis tussen Isi en Fleur. Man en vrouw zijn tijdens het paddenstoelenzoeken in het Franse bos van Métabief de weg, lees hier ook figuurlijk de liefde voor elkaar, kwijtgeraakt. Want, in dit eerste bedrijf wordt Isi’s onweerstaanbare liefde voor de (vierhonderd kilometer lange) rivier die in de Jura ontspringt, de Doubs onthuld: ‘zijn allerliefste’ overmeestert zijn gedachten. Het korte middenstuk, ‘angel down’, behelst het grimmige orgelpunt van de geschiedenis tussen Isi en Fleur. Die laatste keert daarna niet meer terug in het verhaal. Het slotstuk, ‘embedded’, gaat over Isi’s ontmoeting met Elan, een raadselachtige jongeman met een skateboard onder zijn arm, met wie hij flirt en een erotische relatie aangaat. Nadat ook Elan in het bos verdwijnt, komt Isi nog Almeria tegen, een zingende vrouw ‘in een kolossale rok met stroken in alle kleuren van de regenboog.’ Ook zij verdwijnt ‘langs hetzelfde pad als Elan’. Daarop volgt een open einde.  

            Hoe dit verhaal afloopt en welke weg het hoofdpersonage Isi uiteindelijk zal inslaan (zolang het maar ‘de vloeibare’ is) weet eigenlijk alleen ‘het pad’ zelf, verwijzend naar het motto van Lars Gustafsson dat aan Mutsaers’ boek voorafgaat, want het (pad) ‘weet waar het moeras ligt, het weet waar de berg al te steil wordt, het weet wat degene overkomt die noordwaarts in plaats van zuidwaarts rond het meer gaat. Het heeft dat alles zovele keren eerder gedaan’. Net zoals haar personage Isi die uiteindelijk dezelfde weg zal opgaan als zijn voorgangers maar niet om te verdwalen, bouwt Mutsaers in dit relaas voort op wat ‘eerder is gedaan’ in literatuur door de zijweggetjes te nemen. Hiervan getuigen de bonte verwijzingen naar de wereldliteratuur en popcultuur. Op de eigenzinnige wijze die we van haar kennen bewandelt ze hier nieuwe paden waarin existentiële kwesties aan bod komen als wat vroeger en vandaag religie, trouw, liefde, vrouw- of man-zijn tot rivier-zijn betekent.

 

Sublieme dwaalkunst  

Qua genre heeft dit boek alles van een satirisch en grimmig bossprookje (zoals Roodkapje of Hans en Grietje) maar eveneens van een tragikomisch spel. Mutsaers voert de succesvolle vierenzestigjarige wetenschapper, schrijver en kunstenaar, Isi(door), en de dertig jaar jongere vrouwenstudies-expert, Fleur, ten tonele. In het dialogische geruzie tussen beide protagonisten worden ironie en humor op scherp gezet. De weergave van Isi’s gedachten, die niet gespeend blijken van enig seksisme en machisme, bevoordeelt hem ten opzichte van zijn vrouwelijke antagonist. Dit vergroot de tegendraadse houding met betrekking tot de tijdgeest en het (dogmatische) feminisme die het boek uitdraagt waaraan kennelijk bepaalde lezers aanstoot kunnen nemen.

Sterk contrasterend met Isi’s masculiene, kleinerende, clichématige alsook platvloerse opmerkingen tegenover zijn vrouw (die volgens hem een ‘blotebillengezicht’ heeft en dan wel Fleur heet ‘al betekent het nog niet dat deze bloem daardoor distinctie heeft en lekker ruikt’) waarbij ook ene ‘boezemvriendin’ Froukje Platina wordt betrokken, staan zijn lofredes aan zijn geliefde rivier de Doubs. De rivier beschrijft Isi in hoogst vrouwelijke, intiem-sensuele en extatische termen: ‘Ergens ver beneden wordt op hem gewacht. Dat weet hij. Daar stroomt en kronkelt zijn allerliefste in haar goddelijk wonderbed dat hij als enige op aarde met haar delen mag. […]. Amor vincit omnia!’

            Het door Isi in het belachelijke getrokken geleerde feminisme van zijn vrouw gecombineerd met zijn aan het pathetische grenzende lofbetuiging voor een rivier bereikt hiermee een grotesk en tegelijk subliem effect. Dit herinnert aan het credo ‘du sublime au ridicule, il n’y a qu’un pas’ dat Mutsaers in haar vorige roman Harnas van Hansaplast (2017) met betrekking tot haar eveneens spraakmakende personage Barend doelbewust ondermijnt en omkeert. Het omkeren van vaste uitdrukkingen is een spitsvondig trucje van de auteur. Ook Mutsaers’ omkering van het Latijnse spreekwoord ‘de mens is een wolf voor de mens’ (in Paardejam, 1996), namelijk de wolf is een mens voor de wolf, krijgt in dit boek nog een staartje. Isi die in het verhaal door zijn naam Witlamm en de vergelijking met Het Lam Gods met een onschuldig lam wordt verbonden, heeft in dit Mutsaersiaanse verhaaluniversum veel meer weg van een wolf in schapenvacht die door het bos doolt maar niet kan verdwalen.

            Indien de referenties aan sprookjes, mythes, filosofen en kunstenaars van dit werk spatten, bieden de verwijzingen naar populaire muziek als naar ‘Don’t speak’ en The doors houvast aan de lezer die moedwillig navigeert tussen high- en middlebrow en zich op een bepaald punt geen raad meer weet. In Isi’s en Fleurs gekibbel komt ook het kinderliedje ‘ ‘k moet dwalen. Langs bergen en langs dalen […]’ vaak terug. Fleur verwijt Isi dat hij het ik-subject vergeet in zijn versie van het lied, wat overeenkomt met de titel van het boek. Het ik-betrokken verhaalsubject verschuift tenslotte naar de achtergrond in dit meerstemmige relaas waarop de auteur ook metafictioneel langs de mainstream van de literatuur doorborduurt. Des te dwingender en doorrazend deze roman is, des te trager hij gelezen moet worden om de literaire zijweggetjes te verkennen.

 

Mannenverhaal

Moet dwalen is zeker een geestig verhaal over mannelijkheidswaan en eigenliefde waarin ook wel een aandoenlijk dubbelportret van een man naar voren komt. Het personage Isi komt als sterk en zelfzeker over maar tegelijkertijd als iemand die kwetsbaar is en twijfelt (de naam van de rivier De Doubs verwijst misschien gelezen niet voor niets naar het Engelstalige woord ‘doubts’), een man die ‘aan rugdekking ontbreekt’, geen thuisfront heeft en ‘jaren bij een psychiater [heeft] gelopen’. Isi beantwoordt aan een enerzijds stereotiep mannenbeeld uit vervlogen tijden: mansplainer, macho, vrouwenhater, een narcist, waarmee meerdere lezers moeite zullen hebben. Zo overdenkt Isi: ‘Een man lukt het altijd om thuis te komen. Die heeft richtingsgevoel, evenals de dieren. Puur door het feit dat hij man is redt hij het wel. En als die man dan ook nog een zegelring draagt, redt hij het zelfs dubbel.’ Of nog wanneer hij gewag maakt van ‘het hechte bondgenootschap tussen man en mes, dat het belang van menig huwelijk te boven gaat’. Dat masculiene gemijmer bereikt een hoogtepunt in de ode aan zijn zakmes, de Opinel, die hij voortdurend bij zich heeft (‘diep weggeborgen in zijn broekzak, pal tegen zijn ballen’) en die hij vergelijkt met ‘die andere kleine knecht, die al even solidair is en nu als een geduldig kraantje tussen zijn eigen benen hangt’.

            Hoe mannelijk of heroïsch Isi zich ook voordoet, hij blijft anderzijds ontegensprekelijk ook verbonden met het falen van mythologische mannelijke helden. Hij is als een moderne Narcissus, gedoemd in eenzaamheid te leven door gebrek aan liefde: ‘Zolang ik leef, is er nog nooit een mensenarm liefderijk om mij heen gelegd. Nog geen pink werd er naar me uitgestoken, ook niet door mijn moeder. Evenmin heb ik iemand anders mogen ontmoeten met meer empathie dan mijn eigen spiegelbeeld.’

Niet voor niets verwijst het tweede boek dat hij geschreven heeft, De mainstream als Styx, naar de rivier in de onderwereld en raakt zijn vrouw die veelzeggend Fleur heet opgeborgen in een stenen oven. Haar versteende echo zal hij meermaals, wanneer in zichzelf verzonken, nog aanhoren: ‘ “VERDWÁÁLD!, VERDWÁÁLD!” Wat is dat nou? Isi ontwaakt met ontzetting, terwijl hij tegen een eik zit geleund. […] Wie riep dat? […] Het lijkt wel of Fleur is teruggekeerd. […] Maar goed, de echo heeft vooralsnog nog niets vernomen.’

            In plaats van een bloem-metamorfose als in Ovidius’ mythe projecteert Mutsaers op haar mannelijke held een rivier-wording die reeds in de naam Isi (verwijzend naar Isis, ‘de beschermgodin van de Nijl’) vervat zit. Isi wordt als het ware één met de rivier, het water en haar bedding waaraan hij zich bij de aanvang in zeer lichamelijke termen spiegelt:

 

Dan zou hij haar bespringen, drinken, proeven, bij haar zijn, op haar zijn, naast haar zijn, in haar zijn en zich laten omarmen door haar oneindige lange, lenige en lieve arm, waarbij alle resten van de menselijke mestvaalt restloos van hem zouden afspoelen. Ja, zo moest het worden. Voorgoed afscheid nemen van het Antropoceen […].

 

Existentiële queeste voorbij het Antropoceen

Waar Fleur verdwaald en versteend raakt in het verhaal (en misschien ook de lezer die dwangmatig vasthoudt aan zijn eigen manier van kijken), dwaalt Isi en met hem de lezer die zich laat meevoeren door onbegane wegen. In dit weergaloos sprookje betekent dat voor de protagonist aan ontzelving doen om tot de ander (als ander) te geraken (mens, hond of rivier). Dat is wat ware literatuur met de lezer doet: hij/zij komt los van zijn eigen perspectief alsook van de eigen identiteit. Daar slaagt dit boekje volgens mij meesterlijk in: het perspectief van een ander die ook het niet-menselijke omsluit te omhelzen.

            In dit verhaal van messen, paden en rivieren plaatst Mutsaers haar personages in een relationeel veld dat van meet af aan verder reikt dan het menselijke. Via de taal verschaft ze anima, levendigheid aan de dingen en de natuurwereld. De schrijfster deinst er niet voor terug om bestaande uitdrukkingen voor letterlijk te houden zoals barking up the wrong tree. In Mutsaers’ verhaalwereld reageert ‘een volwassen spar’, ‘[d]e torenhoge spar […] overeenkomstig zijn statuur’ op Fleur die met haar sneakers tegen de boom schopt. Niet alleen uitdrukkingen komen zo door middel van literalisering tot leven, maar ook levenloze dingen. Het mes dat de protagonist op zak heeft, krijgt net zoals het bos dat ‘over een eigen anima’ beschikt in dit verhaal een buitengewone vitaliteit: ‘Messen zijn edel, lang zo edel niet als honden of rivieren maar wel even trouw. Voor het bereiken van zijn doel zal zijn mes hem dan ook zeker willen bijstaan, al was het maar als aandrijver.’

            Ook door een rivier letterlijk als geliefde te presenteren, daagt de schrijfster niet alleen de gedachte van een normatief en klassiek (man-vrouw) relatiepatroon uit, maar ook de verankering van dat patroon in de taal: door die ongewone (of bevreemdende) relatie te ensceneren verlaten we in de roman voorgoed het idee van de natuur als loutere metafoor, troop of symbool voor menselijkheid.

Via de kracht van de (literaire) verbeelding raakt Mutsaers aan iets fundamenteels dat verder reikt dan een tegendraadse of rebelse manier van kijken of denken: het gaat om de essentie van taal en wat ons tot mens (man of vrouw of geen van beiden) maakt. Dit levert een duizelingwekkende (lees)ervaring op waarin het ik-subject (ver)dwaalt en uiteindelijk één wordt met zijn omgeving. Wat eerst bevreemdend leek, is dat niet meer eens je erin meegaat en echt ‘dwáált’. Laten we vooral hopen dat, net zoals elke boom het bos uitmaakt waarin je naar hartenlust kan dwalen, hier nog een boekje uit voortkomt om verder te blijven twijfelen en ‘embedded’ te worden in iets dat onszelf te boven gaat.  

 

BIBLIOGRAFIE

Charlotte Mutsaers, Moet dwalen. Prometheus, Amsterdam, 2025.

Barbara Fraipont over Charlotte Mutsaers

PDF – 190,8 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.