Thomas van der Zwan
Op de achterflap van Het offer, de nieuwe roman van Wouter Godijn (1955), wordt het oeuvre van de Groningse auteur omschreven als ‘een spelletje met woorden, iets leuks.’ Ik had nog niets van hem gelezen, maar al na enkele pagina’s van Het offer begreep ik waar die karakterisering vandaan komt. Godijn heeft een originele verteltoon, waar een speelsheid in schuilgaat die soms intelligent, dan weer wat ‘olijk en oubollig’ overkomt, zoals Saskia Pieterse het treffend verwoordde in Trouw.
‘Potjeverdrie’
Het offer is het verhaal van de zeventigjarige Maarten die terugblikt op zijn jeugdliefde met de stoutmoedige Nicole. Al schrijvend probeert de oude man het excentrieke meisje weer tot leven te wekken. De herinneringen die hij oprakelt, wisselt hij af met literair-filosofische reflecties over zijn onvermogen om de intensiteit van die eerste verliefdheid in taal om te zetten. Die romantische topos leent zich goed voor pathetische uitroepen, die Godijn dan ook niet schuwt. Effect hebben die wertheriaanse verzuchtingen en exclamaties wel: Maartens verlangen naar zijn verloren vriendin is uitstekend invoelbaar.
De jonge Maarten en Nicole hebben allebei ouders met een kampverleden. Hoewel Godijn in de eerste alinea van het boek meteen naar dat verleden verwijst, buit hij het kampmotief gelukkig niet uit. In plaats daarvan laat hij het soms tientallen pagina’s op de achtergrond sluimeren. Wanneer de lezer dan plotseling een zin tegenkomt als: ‘Ik slaagde er die dagen in mijn moeders concentratiekampen helemaal uit mijn gedachten weg te goochelen’, heeft dat het gewenste effect: de oorlog krijgt het karakter van een alomtegenwoordige vloek, precies zoals hij wordt ervaren door de hoofdpersonages.
Uiteindelijk kan Godijn het toch niet laten om het kampmotief wat aan te dikken. Richting het einde van de roman slaat Nicole aan het filosoferen:
Weet je waarom de mensen zeggen dat god in Auschwitz stierf? (…) Voor god bestaat tijd niet. In één ogenblik kan hij zijn hele schepping overzien. Draait een beetje god suh hand nie voor om. Hij ziet óók hoe zijn schepping zich in de tijd ontwikkelt. (…) Hij ziet álles. En dan sterft hij van ontzetting. Als hij beseft wat hij heeft aangericht. (…) Zo zit dat, Maartje. Denktur maar eens op je gemakje over na, als je ’s avonds allenig in je bedje ligt.
Die spreektalige toon en fonetische spelling van Nicoles tongval is een aardige vondst, maar begint al gauw te vervelen. Het is typerend voor de roman dat Godijn zich gedwongen voelt (omwille van de continuïteit?) om zijn vondst ook in deze ernstigere passage toe te passen, maar dat hij er hier omwille van de inhoud minder gretig gebruik van maakt. Erg storend is het niet, maar de beoogde lichtzinnigheid komt daardoor wat geforceerd over.
Lotte Kraker omschrijft Godijns boek in haar recensie voor de Volkskrant als ‘proza vol haakjes, associaties, aanwijzingen aan de lezer, opzwepende herhalingen.’
Hoewel het inderdaad knap is dat zijn interpunctiegebruik en syntaxis zo herkenbaar zijn, klinken Godijns zinnen soms iets te veel als een woordenketting in plaats van een gecomponeerde eenheid. Nog hinderlijker zijn de nonchalant geformuleerde zinnetjes (‘Alles om me heen vervaagde’, ‘Ik ging nog wat door met geluidloos praten’) en vergezochte similes en metaforen:
Mijn ogen waren zo groot als ontbijtbordjes geworden – néé, natuurlijk niet in het echt, maar ergens anders, waar alles niet echt was en juist daardoor echter dan echt. Er was een niveau waar alles leuk, knus, zonnig en Disneyachtig was en waar een gedachte – is dat wel het goede woord, ‘gedachte’? – rondfladderde als een vlinder.
Enerzijds is het knap hoe Godijn in een roman over kalverliefde toch tussen de regels door filosofische vraagstukken aan bod laat komen, anderzijds smaken de spreektaalzinnetjes in sommige passages wat flauw, is de taal weliswaar functioneel maar toch ook nodeloos braafjes (‘potjeverdrie’ als verzuchting na een orgasme?) en blijft het onduidelijk wat de auteur precies met die fonetisch gespelde dialogen wil bereiken. Ook zonder dat trucje hadden zijn personages immers boeiend geweest.
Zweetgeurtjes
Er valt ook veel goeds over Het offer te zeggen. Om te beginnen weet Godijn de magie van de eerste verliefdheid knap te vangen. Het is bovendien mooi hoe hij klungelige seksuele handelingen beschrijft zonder iets te verbloemen, maar ook zonder dat het vulgair wordt. De twee verliefden komen goed tot leven, niet alleen als emotionele wezens, maar ook als afwachtende tienerlijven met schaam- en okselhaar, zweetgeurtjes en muffe adem.
Hoewel de plot van de roman eenvoudig is (en het einde helaas wat kort door de bocht), is het boek goed opgebouwd en neemt de spanning op gezette momenten toe. Nicole gaat eerder dan Maarten op zoek naar nieuwe ervaringen. De nog altijd wat bleue jongen probeert zijn in een jonge vrouw veranderende vriendin te volgen, maar dat gaat niet zoals verwacht en het stel wordt geconfronteerd met onaangename verrassingen (dat is een understatement, lees zelf maar waarom).
Godijn is duidelijk een getraind schrijver, die zijn stijl heeft gepolijst en na een decennialange literaire carrière precies weet wat zijn kwaliteiten zijn. Door het real time schrijfverslag dat de verteller Maarten door zijn stoet herinneringen weeft, heeft het boek een sterk metakarakter, iets waar Godijn al om bekend stond en dat ook hier sterke passages oplevert.
Ernst of hilariteit
Waarom is Het offer al met al minder geslaagd dan, bijvoorbeeld, Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk, waar het boek nochtans op de achterflap mee wordt vergeleken? Ik denk dat dat voornamelijk te wijten is aan de tongue-in-cheek-toon van Godijn: om een tragisch verhaal humoristisch over te brengen, moet een auteur zeldzaam begiftigd zijn en een volkomen authentieke vorm van ironie vinden (denk aan Gerard Reve). Wouter Godijn is een vedette met een eigen stem, maar in Het offer had hij beter gekozen voor of ernst of hilariteit.
Reactie plaatsen
Reacties