Het gevoel dat iemand over je waakt. Over zorg en paranoia in het proza van Peter Terrin
‘Wat je niet kan zien maak je in je verbeelding altijd groter’, denkt Karsten, de protagonist van Vrouwen en kinderen eerst (2004), de derde roman van Peter Terrin. In een hotel verwondt hij twee dagen na elkaar bij het ontbijt zijn mond aan een beschadigd theelepeltje. ‘Wat is de kans, dacht hij, dat ik twee dagen na elkaar hetzelfde theelepeltje in handen krijg?’ De scène is exemplarisch voor de paranoïde geest, die in de werkelijkheid meer samenhang en doelmatigheid vermoedt dan er is. Paranoia overheerst de gevoelsstructuur in Vrouwen en kinderen eerst en wordt op de spits gedreven in Terrins daaropvolgende roman De bewaker (2009).