Anne Louïse van den Dool
Een roman waarin het hoofdpersonage nauwelijks een vinger verroert, kan dat interessant zijn? Jazeker, laat Bob Vanden Broeck in zijn debuutroman Je zit op een stoel zien. Middels subtiele verschuivingen laat hij de situatie, die we zeker metaforisch mogen lezen, steeds verder escaleren.
Ruim driehonderd jaar voor Christus schreef Aristoteles in zijn Poëtica al over de eenheid van tijd, plaats en handeling: een klassieke dramaturgische regel die ervoor moest zorgen dat bij de kijker van een toneelstuk zoveel mogelijk emoties werden opgewekt, doordat de werkelijkheid zo het best werd nagebootst.
Met die stelregel zijn sindsdien al vele schrijvers aan de slag gegaan. Ook Bob Vanden Broeck (1988) koos, na lof te hebben geoogst met zijn poëziedebuut de richting is richting omleiding (2024) – dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Poëziedebuutprijs en de Debutantenprijs –, in zijn debuutroman Je zit op een stoel (2026) voor zo’n strikt afgebakende setting. We volgen de gedachtegang van een je-figuur die, je raadt het al, gedurende het hele verhaal op een stoel zit.
Wat valt daar nu aan te beleven, zou een kritische lezer zich kunnen afvragen. Een heleboel, is in dit geval het antwoord. Vanden Broeck dompelt de lezer onder in een stream of consciousness waaruit middels subtiele verschuivingen een verhaal kan worden geconstrueerd. Aan het woord is een poëtische en filosofische stem, zo blijkt meteen uit de openingsregels:
Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel. En zittend op een stoel heb je het gevoel dat je zowel in als buiten je lichaam zit, dat je hier op een stoel zit aan een tafel en dat je tegelijk op een stoel in je hoofd zit, dat de muren van de omringende ruimte naadloos overlopen in de wanden van je schedel als twee kruisende lijnen op een pagina, nee, dat gevoel heb je en daarom is het nu onmogelijk om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden.
Eén doorlopende alinea
Dat onderscheid tussen binnen en buiten, tussen denken en voelen, tussen waarnemen en weten loopt als een rode draad door de roman, waarvan de lange zinnen één doorlopende alinea vormen. Het nodigt de lezer uit zich te laten meevoeren in de stroom van onthullingen die Vanden Broeck over zijn hoofdpersonage uit de doeken doet. We ontdekken stukje bij beetje steeds meer over de omgeving waarin dit personage zich bevindt: op tafel staat een computer, die de je-figuur duidelijk in zijn greep houdt. Dit personage mag fysiek dan stilzitten, via dat scherm worden allerlei teksten en beelden in diens brein geprojecteerd, die maken dat die mentaal alsnog een hele reis aflegt.
Tegelijkertijd werkt die ervaring ook misleidend, want wat doe je, zittend achter zo’n pc, feitelijk meer dan een beetje rondklikken, tabbladen openen en sluiten, mails beantwoorden? Het wekt de suggestie van beweging, maar is dit niet net zo goed stilstand?
Dat gevoel van willekeur is in de hele roman doorvlochten. ‘(…) je had ook ergens anders kunnen zitten, op een andere stoel, maar dan had je op die andere stoel precies dezelfde handelingen verricht’, schrijft Vanden Broeck al op de eerste pagina, en die zinsnede zal hij daarna nog meermaals herhalen. Het maakt vandaag de dag niet veel meer uit waar we ons lichamelijk bevinden, aangezien we geestelijk naar precies dezelfde digitale wereld kunnen reizen.
Gestolde cellen
Is dat voordelig? Geenszins, zou je aan de lichaamstaal van het hoofdpersonage van Je zit op een stoel kunnen aflezen. De je-figuur is versteend, gevuld met ‘gestolde cellen, opgesloten, als een gevangene streepjes krassend in de binnenkant van de eigen huid’. Dat heeft ook mentale consequenties: ‘omdat je lichaam geen andere houding kan aannemen, ben je niet in de gelegenheid om vanuit die nieuwe houdingen de ruimtes te openen die je lichaam doorheen de jaren opsloeg in het geheugen van je ribben, je knieën en je schouders’. Een versteend lichaam betekent, kortom, een versteende geest, die herinneringen aan vroeger tijden niet meer kan ophalen.
Al snel wordt duidelijk dat de je-figuur allerminst vrijwillig op een stoel zit: die wil niets liever dan in beweging komen, maar alles wat lukt, is het bewegen van de muis, het roeren in de koffie en het ballen van de vuist, die – alarmerend genoeg – zo nu en dan in de eigen mond verdwijnt. Intussen lezen we over dromen om op te staan, de deur uit te lopen, baantjes te trekken in het zwembad. Verder dringen in de loop van de roman steeds meer indrukken vanuit de omgeving binnen: buiten is een werf met hijskranen en stellingen, waar drilboren en slijpschijven intense geluiden produceren.
Aanlokkelijk universum
Via zulke subtiele passages kunnen we iets meer te weten komen over het hoofdpersonage, maar al snel wordt duidelijk dat het daar Vanden Broeck niet om te doen is: deze je-figuur is iemand zoals velen, die aan hun stoel zitten vastgeklonken terwijl ze eigenlijk de wereld in zouden willen. Het zal voor velen herkenbaar zijn: het bewustzijn van dat dagenlange zitten terwijl je brein uitgeput raakt van alle digitale indrukken, en tegelijkertijd de onmogelijkheid om in beweging te komen, terwijl niets je daar feitelijk van weerhoudt – behalve misschien de immer groeiende angst voor wat daarbuiten allemaal met je kan gebeuren, terwijl de stroom aan digitale indrukken je steeds dieper een alternatief universum in lokt.
Zo is Je zit op een stoel een fijnzinnige combinatie van een letterlijke, op het eerste gezicht wat absurdistische situatie en een metaforische laag die zich steeds nadrukkelijker aan de lezer opdringt. Vanden Broecks debuutroman is het waard om in één keer tot je te nemen, om vervolgens herhaaldelijk terug te bladeren, vol bewondering over de knappe constructie die hier is neergezet.
Reactie plaatsen
Reacties