Emiel Roothooft
In de straat waar ik opgroeide woonde ook Nicolas. Hij was een gekend figuur. Ik zag hem geregeld de drukke steenweg oversteken en dan wist je dat hij de opdracht had gekregen iets naar zijn grootmoeder, de voormalige burgemeester, te brengen. In zeer nette kleding en altijd goedlachs overbrugde hij met ingestudeerde links-rechts-blikken de paar meter die zijn woning van die van de grote villa van zijn grootmoeder scheidde. Tijdens het Nieuwjaar-zingen – een traditie in de provincie – deelde hij het snoep uit. Voor de rest bleef hij een enigma.
Op 3 december 2024 legde Nicolas Vanwinsen in Heist-op-den-Berg de eed af als gemeenteraadslid. Hij was de eerste verkozene in de Belgische geschiedenis met het syndroom van Down.
Het is een verhaal dat zichzelf schrijft. Het specifieke verhaal van een specifiek personage in specifieke omstandigheden. En zo zijn er nog oneindig veel te bedenken. Toch blijken mensen met een mentale beperking geen eervolle plaats in de literatuur te verdienen (welke lippendienst er ook aan inclusie en diversiteit wordt bewezen). Hun rol is, als die al niet beperkt blijft tot die van een tragikomisch randpersonage, veelal dat van een type. In de trant van: zo is het leven met X of Y; het leven met X of Y is het ook waard te leven; daarom moeten we mensen met X of Y includeren. Het is een manier om via minderheden het leven te vieren, en onszelf. Een rond personage spelen, met al zijn unieke eigenschappen en ervaringen, blijkt voor hen niet weggelegd.
Essentialisme
Daun, verteller en titelpersonage uit de recentste gedichtenbundel van Kreek Daey Ouwens (1942), is geen uitzondering. De naam zelf verklapt al dat we lezen over een syndroom, niet over een persoon. Dauns leven is een en al algemeenheid, hem overkomt alleen universalia. Zo gaat iemand met Down om met de dood, met identiteit, en ook hij denkt aan seks! Hij mag geen eigen persoonlijkheid hebben, niets buitengewoons meemaken, zijn leven is een aaneenschakeling van plaatsen en gebeurtenissen die bijna ieder leven (met Down) telt. Daun is een essentialistisch boek, alle goede bedoelingen ten spijt. En de essentie van het leven-met-Down blijft dan ook nog vrij oppervlakkig en summier, alsof een personage met een mentale beperking automatisch om minimalisme vraagt. Heel anders dan het leven van een kind blijkt Dauns leven niet te zijn – een ontologische zwakte van de auteur.
Als we toch alleen essentiële kenmerken voorgeschoteld krijgen, hoe ziet Dauns ervaring van zijn omgeving er dan precies uit? Zoals jonge kinderen navigeert hij in de wereld door middel van zichtbare, concrete gelijkenis: ‘Honden glimlachen ook’; ‘Ik ben heel hoog / Vogels zijn ook hoog’. Het abstracte begrip van een glimlach en van het verschil tussen hoog-zijn als een door zijn vader gedragen kind en hoog-zijn als een vogel, heeft Daun niet beet. De ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget sprak in de context van jonge kinderen van een globale, holistische waarneming, in contrast met het meer gedifferentieerde, analytische denken van volwassenen.
’s Werelds schattigste beperking
Vanaf het overlijden van zijn oma associeert Daun de dood met een concreet beeld: de kuil waarin ze begraven werd. Wanneer hij een konijn krijgt, stelt hij zich eenzelfde einde voor:
Hart van konijn boemt ook
Kan in de dood vallen
Omaas hart is in de kuil,
Voor Daun is de dood een kuil, dus ‘val’ je er ‘in’. De consequenties daarvan – dat een sterfelijk wezen niet gewoon doodvalt, maar in de dood valt – verkent Daey Ouwens helaas niet verder.
De specificiteit van leven met Down wordt bij Daey Ouwens – waarschijnlijk moeten we zeggen: onvermijdelijk – door de omgeving bepaald. Heeft iemand er iets op tegen om het syndroom van Down ’s werelds schattigste beperking te noemen? Dat is althans hoe we ernaar kijken. Als eeuwige kinderen stralen ze in hun jonge jaren een soort van dubbele onschuld uit. Het verklaart het essentialisme van deze bundel, het succes van programma’s als Down the Road en waarom iedereen naar Daun glimlacht:
Iedereen glimlacht met mij
Vader glimlacht
Oma glimlacht
Oom Matti glimlacht
En grote kinderen
En honden Honden glimlachen ook,
Uit automatisme gebruik ik het voorzetsel ‘naar’, maar Daey Ouwens verkiest terecht ‘met’. ‘Met’ is ambivalenter dan het vlakke eenrichtingsverkeer van ‘naar’. Glimlachen met iemand impliceert betrokkenheid en bescherming; het voorzetsel roept een cocon op. Maar in feite bestaat het in die formulering niet. Je kan alleen ‘lachen met’ en dan kom je al snel bij spot terecht. In het vers ‘Iedereen glimlacht met mij’ lijkt Daun te (h)erkennen dat hij uitzonderlijk en afhankelijk is, maar ook dat hij overal rond zich goede intenties ziet.
Eenzelfde ambivalente ‘met’, die deze keer zweeft tussen onzelfstandigheid en een bijzonder privilege, duikt opnieuw bij een opsomming van ‘de gewone mensen’ op, als een manier om Daun met hen te laten contrasteren:
Vader stapt alleen in bad
Oma stapt alleen in bad
Oom Matti stapt alleen in bad
Mamma stapt met mij
Een laatste ‘met’ is moeilijker te lezen: ‘Eerst was ik bang met seks met Jolanda was bang haar pijn te doen’. Gewoon een taalfoutje? Of is er meer aan de hand? Stelt Daun zich ‘seks’ voor als iets tastbaars dat bij hem in de buurt is? Was hij ‘bang met seks’ omdat in zijn vrees ook al gesekst werd – bang-zijn en seks en Jolanda met andere woorden in één beeld samen verschenen, terwijl ‘gewone mensen’ die drie elementen conceptueel van elkaar scheiden?
Mysterieuze lapsus
Dauns gebrekkige taal geeft aanleiding tot nog meer mysterieuze bewoordingen. Wat zit er bijvoorbeeld achter deze lapsus: ‘Ik moet mammaas rug goed onthouden’? Denkt hij gewoon aan ‘onderhouden’, of krijgt hij echt de opdracht dat deel van zijn moeder in zijn geheugen te prenten? En krijgt hij die opdracht van zijn moeder of van zichzelf? In dit soort verzen komt het potentieel van Daun naar voren, want hier worden taal en betekenis instabiel en ongewoon. Buiten de genoemde uitzonderingen leest Daun echter meer als een sjabloon voor een psychologisch verslag dan als het verhaal van een individu zoals jij en ik.
Reactie plaatsen
Reacties