Emiel Roothooft
De titel vind je hier: ‘Sta bij, stabat, en wees ons nabij nu. Sta mama en papa bij, sta Nora bij, sta Kristien bij en sta ook mij bij.’ De context: Anna Brems bidt in een flashback bij Virga Jesse, de patroonheilige van Hasselt, waar op dat moment haar broer Dirk gehospitaliseerd is voor een bacteriële infectie, waarschijnlijk opgedaan in het openbare zwembad van Goirle. Het heden: Anna zit met haar ouders, partner David, zussen Nora en Kristien en hun partners Erik en Marcel in het bovenzaaltje van taverne De Zwarte Ruiter in Hoogstraten voor een familiediner, waarop tot ieders verbazing ook haar meer dan dertig jaar geleden overleden broer Dirk komt opdagen. Meer informatie geven is niet nodig (en dit is eigenlijk al te veel), want tot een apotheose leidt die niet. In Sta bij, de laatste novelle van Leo Pleysier (1945), draait het om de afzonderlijke bestanddelen.
Dan rijst de vraag of Sta bij een werk van woorden, zinnen, beelden of scènes is. Laten we het boek eens anders lezen, beginnend met zijn scènes. De langste scène is die uit het heden, in de taverne in Hoogstraten. Die vormt een goed ankerpunt voor de vignetten uit het verleden en bouwt spanning op. Dirk wil eerst niet praten; Anna’s moeder wordt onwel van zijn terugkeer; iedereen is wat ongemakkelijk, maar het lijkt alsof alleen Anna dit moment echt beleeft. Uiteraard moet er ook gewoon gegeten worden en kun je in een restaurant last krijgen van luide klanten – een alledaagsheid die goed contrasteert met de wederopstanding van een broer en zoon. Op het einde stuikt de scène door een klassieke schrijverskeuze in elkaar, maar ik verklap niet waarom (al weet je het met het citaat op de achterflap ook wel).
Vastzitten in een boom
In een andere scène trekt Anna de kleren van haar overleden broer aan en wordt daarbij betrapt door haar vader. Hij stormt de trap af, maar zij reageert stoïcijns:
Verrast, verbaasd, beduusd. Op heterdaad betrapt, zo lijkt het wel.
Maar foert, het deert niet, zo denk ik dan.
En als papa zich door mijn verkleedpartij gechoqueerd of uitgedaagd voelt – welja, dan is dat maar zo en maal ik daar niet om. Want spijt heb ik niet. Integendeel. Het voelt immers zo goed om met Dirks kleren aan voor de spiegel te staan.
Frontaal, fier en zelfbewust.
Los van het feit dat deze reactie ongeloofwaardig is, zeker voor iemand als Anna, is ze te eenzijdig om interessant te zijn. Een miniatuurvertelling moet het hebben van nuance. Deze onmiddellijke ‘foert’, zonder twijfel of conflict, past niet. Het gebrek aan introspectie en mentale complexiteit kan een keuze zijn, maar dan zie ik niet tot welk effect? Een anti-psychologiserende vertelstijl werkt uitstekend bij verhalen over extreem geweld, zoals de Tweelingentrilogie (1986-1991) van Ágota Kristóf, maar veel minder bij zo’n ingetogen concept als dat van Sta bij.
Zoals zijn scènes is Pleysiers beeldtaal wisselvallig. Geen uitzonderlijk, maar toch een mooi beeld verschijnt wanneer Dirk tijdens een ruggenprik ‘MAMA!’ roept, net op de enige dag dat zij afwezig is. Een ander wanneer de papa van Anna na Dirks dood terug van bij de kippen komt met eieren die ‘nat van zijn tranen’ zijn. Af en toe is een beeld toch wat overtrokken, zoals de metafoor voor Anna’s gemoed tijdens haar eerste jaar als leerkracht. Ze zit vast in een boom nabij het schooldomein. ‘Maar in plaats van doorgezaagd te worden heb ik zélf doorgebeten en heb ik dat eerste schooljaar afgemaakt.’ Ik denk niet dat een nieuwe leerkracht snel uit het raam gaat kijken en zou denken: die boom daar, daar zit ik in vast – precies zo voelt het! Het doet ons haar gevoel alleszins niet beter begrijpen.
Roekeloos met ‘om’ rondstrooien
Het is muggenziften maar bij een miniatuur kun je niet anders: sommige zinnen lopen mank omdat Pleysier één enkel woord onzorgvuldig gebruikt. Bijvoorbeeld in deze zin, over een Instagram-post van een vroegere klasgenoot van Anna: ‘Leunend tegen de reling van een Argentijns cruiseschip dat onderweg is naar Antarctica is ze door haar man gefilmd.’ De tweede ‘is’ maakt de zin stroef; om herhaling te voorkomen en in het historisch presens te blijven was ‘wordt’ de betere keuze geweest. Of deze zin, waar de auteur roekeloos met ‘om’ rondstrooit:
Want in plaats van om nog vanuit de Zuid-Nigeriaanse petroleumhavenstad Port Harcourt per bushtaxi dwars door het stoffige en broeierige binnenland meer dan duizend kilometer noordwaarts te jakkeren om zo de Noord-Nigeriaanse emiraatstad Kano te bereiken of anders om na landing in de Boliviaanse stad La Paz uit het vliegtuig te stappen en vervolgens deel te nemen aan een uitputtende vijfdaagse trektocht naar een afgelegen boerendorp in het Andesgebergte om daar het lokale protest tegen de mijnbouwvervuiling te gaan steunen, starten David en ik nu gewoon onze auto en dan rijden we in anderhalf uur van thuis tot aan de Duitse grens.
Het staat er maar wat bij
Op een belangrijk moment – wanneer Dirk een fietstocht moet staken door wat later een dodelijke bacteriële infectie blijkt te zijn – kiest Pleysier voor het woord ‘pechvogel’, wat alle pathos voor het vervolg tenietdoet. Opnieuw: muggenziften, maar het is nu eenmaal zo dat in een ingehouden novelle als deze een woord meer gewicht heeft dan elders.
Sta bij heeft nog steeds de nabijheid en herkenbaarheid van veel van Pleysiers vroegere werk. Dit is geen te mijden boek. Alleen werkt het op geen enkel tekstniveau – woord, zin, beeld, scène, geheel – voortreffelijk. Degelijk, maar niet voortreffelijk. Een boek dat bij zijn andere kan staan, zonder eruit te springen.
Reactie plaatsen
Reacties