Lichamen van verzet

Erwin Jans & Arnoud van Adrichem

Some lines might be marks of the refusal to
reproduce: the lines of rebellion and resistance
that gather over time to create new impressions
on the skin surface or on the face of the social.
– Sara Ahmed


Het eerste nummer van deze jaargang opent met een tekst van schrijver en activist Jarmo Berkhout die de schoonheid van een barricade beschrijft. Geen toeval wellicht. Overal ter wereld worden momenteel barricaden opgeworpen. Er is ook veel om voor te vechten. Talrijke vrijheden en verworvenheden staan zwaar onder druk, zowel op geopolitieke schaal als op individueel niveau. Zelden is het gevoel dat we leven in een onzeker en beslissend tijdsgewricht zo acuut geweest. Ook het lichaam wordt in de strijd geworpen – vaak letterlijk, en soms met de dood tot gevolg. In de eerste plaats in de aanhoudende oorlogen en gewapende conflicten van de afgelopen jaren, maar ook in de bloedige protesten tegen het Iraanse regime en tegen het hallucinante immigratiebeleid van de Verenigde Staten. En ook tijdens klimaatdemonstraties komen protesterende lichamen geregeld in aanraking met gummiknuppels, traangas en waterkanonnen.

Ook in dit nummer biedt het lichaam weerstand, zij het niet zozeer tegen andere lichamen maar tegen maatschappelijke vooroordelen en normen, tegen beelden en ideeën over hoe lichamen zouden moeten zijn en welke betekenis daarbij zou moeten horen. In Wie is er bang voor gender? (2024) spreekt filosoof en gendertheoreticus Judith Butler in dit verband over ‘genderfantasma’s’: even hardnekkige als bedrieglijke voorstellingen die machthebbers wereldwijd verspreiden om censuur te rechtvaardigen, feiten te verdraaien en reactionaire politiek te versterken. Doel daarvan, schrijft Butler, is het aanjagen van angst, die moet afleiden van de werkelijke problemen in de wereld.

Op de volgende bladzijden verschijnen lichamen niet als vanzelfsprekende vormen, maar als bewegingen, als gebaren, als sporen van geschiedenis en als voorlopers van een nog onbepaalde maar voelbare toekomst. Onder de titel ‘Lichamen van verzet’ heeft kernredacteur Alara Adilow een veelkleurig, veelzijdig en deels genderfluïde gezelschap bijeengebracht dat het lichaam niet benadert als een begrensd object, maar als een veld van normatieve en affectieve krachten. De bijdragen in haar focus tonen hoe lichamen zich voortdurend verhouden tot de wereld die ze vormt – en hoe ze zich daartegen verzetten, zich erdoorheen bewegen of er nieuwe bestaansvormen uit destilleren.

Omdat elk lichaam soms rust en tijd nodig heeft, vroeg Alara ons – twee witte,cisgender heteromannen van middelbare leeftijd – een inleiding bij haar focus te schrijven. Niet helemaal zonder risico natuurlijk. In de gepolariseerde tijden waarin we leven geldt deze laatste groep vaak als de grote historische schuldige voor alle onheil van de wereld. In een perverse omkering heeft deze groep zichzelf inmiddels tot slachtoffer uitgeroepen en eist in een oorlogsverklaring aan ieder non-binair denken een herstel van absolute normen en waarden. Voor zulke absolute posities aan de linker- en rechterzijde van het politieke spectrum zijn schrijvers dezes wellicht te postmodern gevormd: te zeer vertrouwd met ambiguiteit en meervoudigheid, en kritisch ten opzichte van universele waarheden. Maar wat betekent dat voor de manier waarop wij over begrippen als sekse, gender en identiteit spreken?[1] In De maakbare man. Notities over transseksualiteit (2013; 2020) kiest schrijver en filosoof Maxim Februari voor een rijkere, niet-dichotome benadering, zonder te beweren dat er geen mannen of vrouwen bestaan:

Jawel, ik beweer dat de meeste mensen androgyn zijn, een mix van vrouwelijke en mannelijke eigenschappen hebben, en dat het dus onzinnig is te doen alsof je de mensheid kunt indelen in twee soorten: vrouw is vrouw, en man is man, and never the twain shall meet.

Deze benadering sluit aan bij queer en feministische denktradities, die het lichaam niet als neutraal uitgangspunt beschouwen, maar als een historisch en discursief gevormde categorie die altijd (binnen bepaalde grenzen) openstaat voor onderhandeling. Zo legt Butler uit hoe het lichaam performatief wordt begrepen: het ontstaat niet vooraf, maar in en door de herhaling van bepaalde normen en handelingen. Die herhaling is nooit volledig vrijwillig, maar wordt gestuurd door sociale verwachtingen en machtsverhoudingen. Binnen die herhaling kan echter ruimte voor verzet ontstaan. Taal speelt daarbij een cruciale rol, steeds in wisselwerking met materialiteit: woorden beschrijven niet alleen, maar brengen ook iets teweeg; in taal liggen daden besloten. Een lichaam kan een norm herhalen, maar het kan die evengoed verschuiven, onderbreken of ontregelen. In die ogenschijnlijk kleine verschuivingen, stelt Butler, kan het politieke tot uitdrukking komen: het lichaam als een plaats waar nieuwe vormen van bestaan kunnen worden uitgeprobeerd.

Sara Ahmed, die zich in haar boeken en onderzoek beweegt op het snijpunt van feminisme, queertheorie en postkolonialisme, beschrijft hoe lichamen zich oriënteren op wat ze aantrekt of afstoot, langs lijnen van ras, gender en migratie die bepalen welke ruimtes toegankelijk zijn en welke gesloten blij- ven. Door het fenomenologische denken te ‘queeren’, toont Ahmed hoe deze oriëntaties gebouwd zijn op normatieve aannames die zich als vanzelfsprekend voordoen. Die oriëntaties bepalen niet alleen hoe een lichaam zich door de wereld beweegt, maar ook welke vormen van nabijheid, solidariteit en rebellie mogelijk worden, wanneer lichamen afwijken van uitgestippelde paden. Daarbij spreekt zij uit ervaring: ‘I left the ‘world’ of heterosexuality, and became a lesbian, even though this means staying in a heterosexual world.’

Waar Ahmed vooral laat zien hoe lichamen zich oriënteren in de ruimte, richt de in 2013 overleden José Esteban Muñoz, die zich bezighield met performance studies, de visuele cultuur en de queertheorie, zich met name op hun verhouding tot de tijd. In queer lichamen herkent hij een utopische kracht: zij dragen een toekomst in zich die nog niet gerealiseerd is, maar die al wel voelbaar wordt in hun bewegingen, hun esthetiek en hun aanwezigheid – een belofte die zich in het heden aankondigt zonder daarin op te gaan. Die toekomst manifesteert zich niet alleen lichamelijk, maar ook op narratief vlak: in verhalen, performances en literaire vormen die weigeren zich te schikken naar het heden zoals het is. Literatuur wordt bij Muñoz een plek waar het ‘nog-niet-zijn’ kan worden verbeeld, waar taal vooruitloopt op wat maatschappelijk nog ondenkbaar lijkt. In die zin is schrijven zelf een utopische praktijk: een manier om via verbeelding en vorm alvast ruimte te maken voor andere manieren van leven.

Andere denkers verleggen de aandacht naar de materialiteit en maakbaar- heid van het lichaam. Schrijver en filosoof Paul B. Preciado laat bijvoorbeeld zien hoe lichamen vandaag de dag worden gevormd door farmacologie, biotechnologie, media en machtsapparaten – een zogenaamd farmaco-pornografisch regime dat zich letterlijk in het vlees inschrijft. Tegelijk ziet Preciado in die technologische verstrengeling mogelijkheden voor verzet: het lichaam fungeert als laboratorium waar nieuwe vormen van subjectiviteit kunnen worden uitgeprobeerd, gehackt en opnieuw gecodeerd. Die gedachte komt overigens ook tot uitdrukking in zijn experimentele schrijfstijl en discipline-overstijgende aanpak: theorie en literatuur grijpen in zijn werk bewust in elkaar.

Tot slot, en in het besef dat dit slechts een beperkte greep uit een veel breder veld is, biedt ook Karen Barad, hoogleraar feministische theorie en filosofie, een richtinggevend perspectief. Zij ziet lichamen niet als vaste objecten maar als iets dat ontstaat in relaties – wat zij ‘intra-acties’ (intra- action) noemt tussen materie, taal, geschiedenis en omgeving. Voor haar zijn lichamen voortdurend in wording. Het gaat om knooppunten van krach- ten en praktijken die zich telkens anders vormen. Dat perspectief maakt zichtbaar hoe macht zich letterlijk in lichamen inschrijft en laat zien dat verandering mogelijk is zodra die relaties verschuiven.

Op een bepaalde manier komen deze lijnen in ‘Lichamen van verzet’ samen, zonder dat de theorie als mal fungeert voor de bijdragen. Eerder vormt deze theorie een oriëntatiepunt dat ontstaat uit wat lichamen doen, ervaren en teweegbrengen. Het denken van queer en feministische denkers is immers vaak voortgekomen uit lichamen die schuren met normatieve kaders en zichtbaar maken hoe macht zich in het lichaam inschrijft – en hoe daartegen verzet kan ontstaan.

De auteurs in dit nummer schrijven, performen en belichamen een politiek die niet begint bij abstracte principes, maar bij het vlees zelf: bij adem, bij huid, bij beweging, bij de manieren waarop een lichaam zich door een wereld vol grenzen en verwachtingen manoeuvreert. Dat belichaamde spreken blijft zelden zonder gevolgen. Ilse Josepha Lazaroms, die een essay voor dit nummer aanleverde, schreef ooit: ‘Ik geef college met mijn lichaam. Met mijn hoofd en mijn intellect en mijn lekkende tepels en al.’ [2] Vooral het laatste detail werd haar niet in dank afgenomen en door haar uitgever bijna geschrapt: ‘Die lekkende tepels doen ertoe. Bijna waren ze uitgewist – de woorden, en de werkelijkheid die ze omvatten.’

Dit nummer van DW B verwoordt het verzet tegen het uitwissen van het lichaam, van lichamelijkheid en van belichaamde kennis – van vrouwen, van ouderen, van zieken, van etnische minderheden, van trans personen, en van al die anderen wier belichaamde ervaring lange tijd niet of nauwelijks erkenning vond: ‘in de slagschaduw van de verlichting // liggen lichamen // wat weten zij / wat is van hen geweten / mogen zij weters zijn’, vraagt Yousra Benfquih in een gedicht. Deze vraag, die doet denken aan het werk van Ahmed, komt in verschillende gedaanten terug in dit nummer.

Jimena Casas neemt de ervaring van haar vrouwenlichaam als vertrek- punt voor een tegelijk expliciete, ironische en poëtische schriftuur: ‘De eicel belemmert het telefoongesprek, onderbreekt de bloedsomloop of / ontdooit in extreme gevallen gletsjers. Om een eicel te spinnen raadt men / hem op een stabiel oppervlak te plaatsen, ook al ligt de eicel zelden stil, / hij heeft zijn lijfje te doen zwellen en in te trekken.’

In een gevoelige dialoog laat Hannah Chris Lohmans twee naamloze personages een herinnering oproepen aan hun eerste ontmoeting tijdens een (queer) seksfeest, in een toekomstige wereld. Hun gesprek lijkt zich te ontvouwen als een performatieve herhaling, waarin affect, spanning en verwachting pas gaandeweg vorm krijgen: ‘Hoe voelde je je? / Gespannen. Opgewonden, achteraf gezien. Maar ik kon de warme kleur van mijn spanning nog niet zien. Ik voelde alleen de opgesloten potentie en wist niet wat er zou gebeuren als de vorm ervan zichzelf losliet.’

Waar het bij Lohmans gaat over het loslaten van een vorm en het aftasten van potentie, beschrijf Koen Peeters in ‘’s Nachts nooit helemaal stil’ hoe Marguerite Yourcenar op hoge leeftijd terugblikt op haar eerste levensjaren: op de dood van haar moeder in het kraambed, op het gebrek aan aanrakingen in de adellijke familie, en vooral op het kindermeisje Barbe, dat haar knuffelde en haar zo haar vorm gaf. Het lichaam verschijnt hier niet als autonoom gegeven, maar als iets wat pas in relatie gestalte krijgt: ‘Als Marguerite door Barbe uit het bedje werd opgepakt, werd heel haar kleine lijfje overvloedig gekust, me donnant ainsi dire une forme.

Peter Verhelst schrijfi in zijn gedicht ‘Als dit geen onthouding is, wat is het dan wel’? over de ambivalente, tegelijk zuiverende en ontregelende kracht van het vasten – een ervaring waarin het lichaam wordt teruggeworpen op ‘Honger is meer dan de som van de delen / van onze angst’. Die zuivering blijkt een ontregeling van het zelf, eerder dan een terugkeer naar een essentie. In die zin resoneert Verhelsts gedicht met Preciado’s denken over het lichaam als biopolitiek laboratorium, waarin ascese en onthouding uitmonden in hercodering. Honger verschijnt hier als een kracht die het lichaam herschrijft en het tijdelijk onttrekt aan normatieve vormen van subjectiviteit, om ten slotte te verbleken en op te lossen in het avondlicht.

In haar gedicht ‘Slechte techniek’ evoceert Danielle Vorthuys op haar beurt de terreur van de balletdiscipline en van mogelijk ouderlijk misbruik, en laat zij zien hoe normatieve lichamen worden afgedwongen en geïnternaliseerd: ‘de bittere smaak van mislukking kan leiden tot een gevoel van catharsis, // De les loopt langzaam leeg. // ‘Of haar vader haar misbruikte doet er niet toe’, // Zegt een gladde student, ‘Herinner je je de schaamte?’’ Ook de poëzie betaalt een prijs: ‘Ik wring mijn klinkers op zoek naar onbekende zinnen.’

Die onbekende zinnen krijgen in de prozagedichten van Lucía Hinojosa Gaxiola, met behulp van technologie, een materieel-discursieve dimensie, waarin archief, lichaam en kosmos in elkaar grijpen: ‘De laatste paperassen die verloren gingen in de Melkweg worden bewaard in een format .jpg, of .xlr, of .tiff of .wav.’ Zo wordt taal een plek waar het ‘nog-niet’ voelbaar wordt, ‘om zich de trilling te herinneren van alle planetaire mythologieën die verzameld zitten in het lawaai van de geschiedenis.’

In Bruin als vruchtbare grond’ schrijft Alejandra Ortiz openhartig over zelfhaat, armoede en racialisering, en over de manier waarop een lichaam leert zichzelf te verachten onder druk van familie, religie en een eurocentrische beeldcultuur. Tegelijk weigert de tekst te blijven steken in slachtofferschap: via tijd (‘een welwillende vriend’), therapie, lichamelijke transitie en zelfgekozen verwantschappen wordt het lichaam langzaam herwonnen. De tekst verzet zich tegen eenvoudige mantra’s van eigenwaarde en eindigt in een belofte aan het lichaam zelf: niet om het te idealiseren, maar om het te koesteren.

Het werk van de hier aangehaalde auteurs toont dat verzet niet alleen plaats- vindt in taal of theorie, maar in de dagelijkse choreografie van het bestaan. In hoe we lopen, liefhebben, rouwen, spreken, weigeren en transformeren. Dit nummer is een uitnodiging om het lichaam opnieuw te lezen – niet als iets dat we hebben, maar als iets dat we doen. Als een voortdurende wording. Als een plek waar macht wordt uitgeoefend, maar ook waar nieuwe vormen van vrijheid worden gecreëerd. De lichamen die hier spreken, zingen, spelen, fluisteren en schuren, laten zien dat verzet niet altijd luid hoeft te zijn. Soms is het een verschuiving van oriëntatie. Soms een weigering. Soms een beweging die zich niet laat vastpinnen. Maar altijd is het een gebaar richting de wereld.

 

LITERATUUR

Ahmed, Sara (2006), Queer Phenomenology. Orientations, Objects, Others. Durham: Duke University Press
Barad, Karen (2007), Meeting the Universe Halfway. Quantum Physics and the Entanglement of Matter and Meaning. Durham:Duke University Press
Butler, Judith (2024), Wie is er bang voor gender? (vertaald door Mieke Maassen, Margriet van Heesch & Janne Van Beek). Utrecht: Ten Have
Butler, Judith (1990), Gender Trouble. Feminism and the Subversion of Identity. New York: Routledge

Februari, Maxim (2013; 2020), De maakbare man. Notities over transseksualiteit. Amsterdam: Prometheus
Muñoz, José Esteban (2019), Cruising Utopia. The Then and There of Queer Futurity (10th Anniversary Edition). New York: New York University Press
Preciado, Paul B. (2013), Testo Junkie. Sex, Drugs, and Biopolitics in the Pharmacopornographic Era (vertaald door Bruce Benderson). New York: The Feminist Press

 

Voetnoten

[1] Over deze begrippen bestaat geen consensus; definities en onderscheidingen kunnen per discipline en context. Hier volgen wij de omschrijving van Februari: ‘Sekse is wat seksers proberen te bepalen door het bestuderen van je genitaliën, je lichaam en je chromosomen; gender is het mentale, immateriële aspect van je geslachtelijkheid, de manier waarop mensen zichzelf zien en de manier waarop ze worden waargenomen door anderen.’

[2] Haar essay ‘Niets persoonlijks’ verscheen als gelijktijdige publicatie bij Uitgeverij HetMoet en de Nederlandse Boekengids (2022 #3). Het is online te vinden op de website van de uitgeverij (laatst bijge- werkt op 2 juni 2022): htps://www.hetmoet.com/post-1/niets-persoonlijks.