Troostend verontrustend. Over A.H.J. Dautzenbergs 'Ogentroost'
A.H.J. Dautzenbergs laatste roman begint spiritueel met het Zonnelied van de heilige Franciscus van Assisi om vervolgens in te zoomen op het wereldje van Ef. De ogenschijnlijk vrouwelijke protagoniste, Ef, heeft zich teruggetrokken in een stacaravan in een vakantiepark. Ze treedt er in de voetsporen van de middeleeuwer Franciscus. Ef draagt een pij en heeft een tonsuur in de vorm van een Tau-teken. Ook zij spreekt met planten en dieren, die ze als deel uitmakend van haar eigen orde beschouwt door ze ‘mindere broeders’ te noemen, een zinspeling op de bijnaam van Franciscus’ orde (Minderbroeders). Op mystieke wijze is ze op zoek naar een vereenzelviging met de natuur. Ze wenst een harmonieuze toestand te bereiken waarin zij als het ware de nieuwe Eva (of Adam?) wordt die gelijkheid en vrede tussen de soorten op aarde brengt. Die harmonie wil ze bewerkstelligen door het Zonnelied (of het Tau-lied) via de stem van de insecten te verklanken. Deze zonderlinge missie levert zowel extatische momenten waarbij Ef opgenomen wordt in iets groters als bevreemdende en absurde situaties op. Zo heeft Ef een eigenaardig ritueel ontwikkeld waarbij ze groene vliegen voedt met de eigen feces en gebruikt om het lied door hun gezoem te registreren. Efs handelingen staan in fel contrast met de dagdagelijkse werkelijkheid van haar medemensen in het vakantiepark. Vanuit de buitenwereld neemt ze een marginale positie in, maar hier zitten we vooral in Efs binnenwereld en fantasie.