Nieuwste nummer 

DW B 2022 3: Betere waarheid

 

In deze tijden van nepnieuws, desinformatie en alternatieve feiten is literaire non-fictie misschien wel populairder dan ooit. Maar wat omvat het precies? Onder de paraplu van dit begrip schuilen talloze genres: van verhalende essays tot true crime, van memoirs en reportages tot reisverhalen en biografieën. Is het wel een bruikbare term in de literaire etikettering? Vallen er duidelijke criteria voor te bepalen? Alleen beschrijven wat echt gebeurd is, de waarheid zoeken of de werkelijkheid vatten? Of is ‘waar gebeurd' wel degelijk een excuus?


DW B richt de volgspot op dit wonderlijk hybride genre dat steeds opnieuw aan het eigen imago lijkt te ontsnappen. In het unieke DW B-boeknummer Betere waarheid verzamelen curatoren Arnoud van Adrichem en Peter Vermeersch inzichten én achtergronden over de ongrijpbare ‘literatuur van de feiten’. En bovenal ook een reeks hoogwaardige nieuwe literaire non-fictieteksten.


Met essayistische bijdragen van Joris van Casteren, Jos Joosten, Emy Koopman, Mark Vitullo, Pascal Verbeken, Pieter Vermeulen, Sven Vitse en Dirk van Weelden


Oorspronkelijke én nieuwe literaire non-fictie van Johan de Boose, Jan Brokken, Sigrid Bousset, Renske Doorenspleet, Mira Feticu, Elma van Haren, Lieve Joris, Koen Peeters, Filip Rogiers en Peter Vermeersch.


Bij deze editie:

Beelden

In Betere waarheid vindt u STRIP, een reeks beelden van Karel Verhoeven. Met als uitgangspunt een vaststaand kader - de grid van de dagelijkse strip in de krant - maakte hij tijdens de coronapandemie dagelijks lijntekeningen. 

Smaakmaker

De inleiding van het nummer Betere waarheid werd geschreven door curatoren Arnoud van Adrichem en Peter Vermeersch.

Video

Bekijk de video over Betere waarheid.


Nieuws

Moya De Feyter wint de PrixFintroPrijs 2022 voor Nederlandstalige literatuur

Moya De Feyter wint de PrixFintroPrijs 2022 voor Nederlandstalige literatuur. Deze prijs wil jonge kunstenaars tussen 18 en 32 jaar ondersteunen.

De publieksprijs in de categorie Nederlandstalige literatuur ging naar dichteres Esohe Weyden, lid van onze kernredactie.

Charlie Dewulf was eerste laureaat in de categorie Film & Fotografie, Maika Garnica in de categorie Beeldende Kunsten, Kinga Jaczewska in de categorie Dans & Theater en Clarisse Derruine in de categorie Franstalige literatuur.

Een nieuwe hoofdredacteur: Hugo Bousset geeft de fakkel door aan Erwin Jans

Al sinds 1993 is Hugo Bousset hoofdredacteur van DW B, het oudste literaire tijdschrift van Vlaanderen. Onlangs vierde Hugo Bousset zijn tachtigste verjaardag. Tijd om de leiding van het magazine vanaf 1 maart 2023 door te geven aan een nieuwe hoofdredacteur. Na een uitgebreide selectieronde is gekozen voor Erwin Jans.

Erwin Jans is als dramaturg verbonden aan het Antwerpse Toneelhuis. Hij doceerde over drama en theater en publiceert over theater, literatuur en cultuur. Hij was hoofdredacteur van het theatertijdschrift Etcetera en medeoprichter en redacteur van freespace Nieuwzuid - Tijdschrift voor literatuur, kritiek en amusement.

Hugo Bousset blijft in de kernredactie van DW B actief als editor-at-large, vooral voor kritieken en als klankbord voor zijn opvolger. We zijn Hugo bijzonder dankbaar voor zijn dertig jaar lange, dagelijkse, tomeloze inzet voor de literatuur.

Extra levens

DW B-kernredacteur Arnoud van Adrichem bracht onlangs 'Extra levens. Schrijvers over videogames' uit, het eerste literaire gameboek in ons taalgebied: Atlas Contact Extra levens - Arnoud van Adrichem, diverse auteurs : Atlas Contact.


Klein Beschrijf

Literair journalist Dirk Leyman zorgt in Klein Beschrijf regelmatig voor verse leeswaren. Hij signaleert opmerkelijke boeken, originele publicaties, literaire essayistiek én nieuwigheden.


Literaire kritieken

DW B positioneert zich stevig middenin het literaire debat. Bekijk hieronder de nieuwste literaire kritieken.

De schoonheid van destructie (of de destructie van schoonheid). Over 'De beloofde dinsdag' van Martijn den Ouden

In september 2011 verzorgde ik met Willem Bongers-Dek een bijdrage in de rubriek ‘De jonge wolven’ over de bundels Melktanden (2010) van Martijn den Ouden en Nu daarentegen (2011) van Bernard Christiansen. Opvallend aan Melktanden vonden we beiden de gewelddadigheid die Den Ouden in zijn poëzie tentoonspreidde: er was sprake van een koe die op een feestje tot ontploffing werd gebracht, van poedels met springende halsslagaders, van de tientallen keren herhaalde regel ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. In een van mijn brieven aan Willem schreef ik naar aanleiding van dit soort agressie (ik sprak zelfs van ‘sadisme’): ‘Het fascinerende van Melktanden is intussen niet zozeer dat de dichter een gewelddadig universum oproept, maar dat de gedragingen van zijn personages veelal volstrekt ongemotiveerd zijn.’ Tijdens mijn lectuur van Den Oudens debuutbundel ervoer ik dat echt zo, maar na de publicatie van onze bespreking was er toch iets wat knaagde. ‘Volstrekt ongemotiveerd’ is immers nogal een lege huls, die bovendien suggereert dat er helemaal geen idee achter Van Oudens poëzie zou schuilen.            Toen eind vorig jaar De beloofde dinsdag verscheen, de opvolger van Melktanden, viel me in de (dungezaaide) poëziekritiek eenzelfde nadruk op ongemotiveerdheid op. De indruk die de recensies wekken, is dat Den Ouden er lustig op los associeert, zonder dat er een duidelijke kern of idee achter zijn poëzie zit. Op Cutting Edge schreef Annelies Omvlee dat Den Oudens lezer geen enkele houvast vindt ‘in de toch al duistere wereld van poëzie’. Er zijn geen metrische of strofische handvatten die hem helpen om grip te krijgen op het poëtische universum in De beloofde dinsdag, waardoor de recensente niet veel verder komt dan het benoemen van enkele motieven (lichaamsdelen, water, bloed) en passages die haar raakten. Het enige wat in de bespreking daadwerkelijk wordt geïnterpreteerd, is de bundeltitel: die zou verwijzen naar de beruchte ‘Tuesday dip’ die optreedt na het gebruik van xtc. Die partydrug zet Omvlee ook in als beeldspraak om haar leeservaring te beschrijven: de lectuur van De beloofde dinsdag ‘is net de reeds genoemde xtc: in het begin lijkt het eng, maar als je het laat gaan is het behoorlijk prettig’.            In het Parool trok ook Dieuwertje Mertens de parallel met narcotica: ‘De personages die de bundel bevolken lijken grotendeels in een trip of waan te verkeren.’ Veelzeggend is Mertens’ keuze voor het hulpwerkwoord van modaliteit: voor haar is niets zeker in De beloofde dinsdag. ‘Je kunt je afvragen of je Den Oudens poëzie zou moeten willen duiden’, schrijft ze, en even verderop impliceert ze dat het een verloren zaak is die vraag bevestigend te beantwoorden: ‘Soms bekruipt me het gevoel dat zijn poëzie onderdeel van een kunstwerk is: hoe diep kun je doordringen in de gelederen van de literatuur door complete nonsens op papier te zetten?’ Voor Mertens balanceert De beloofde dinsdag tussen waanzin en onzin: hier is óf een (al dan niet gedrogeerde) psychoot aan het woord, óf dit is pseudoliteraire wartaal die aanschurkt tegen wat we doorgaans poëzie noemen. De optie dat Den Oudens werk wel degelijk ‘zin’ heeft, moet kennelijk worden verworpen.            De vraag is echter of het niet te kort door de bocht is de poëzie van Den Ouden te karakteriseren als een trip die de lezer geen houvast tot interpretatie geeft. Zelf had ik juist het gevoel dat er in De beloofde dinsdag (nog) veel meer op het spel stond dan in Melktanden, althans voor zover Bongers-Dek en ik dat drie jaar geleden ervoeren. Mijns inziens is deze poëzie geen verslag van een ‘Tuesday dip’, maar getuigt ze veeleer van een klassieke zoektocht naar schoonheid in een onttoverde wereld vol geweld – tegen beter weten in.

Lees meer »

Undo/redo: poëzie als herinnering en vervreemding. Over 'Rouw met diertjes' van Astrid Lampe

Op 31 augustus 2013 schrijft Astrid Lampe in een post op Versindaba, het weblog voor Afrikaanse dichtkunst, dat de werktitel van haar nieuwe bundel ‘rouwverwerking met diertjes’ is, maar dat ze, nu de bundel zo goed als af is, ervoor heeft gekozen het woord ‘verwerking’ weg te laten: ‘rouw met diertjes is bloter de dood radicaal’. In de bundel Rouw met diertjes (2013) wordt al snel duidelijk dat rouw geen rechtlijnig proces is en dat het ook niets te maken heeft met een tijdje de gordijnen dichthouden. Rouw is iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken, maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt. Het is totale onthechting. Referenties aan ground zero, het epicentrum van een aardbeving en een ramp, komen meerdere malen voor. ‘[D]ood is dood’ is de verpletterend nuchtere versregel die eenzaam op pagina 33 staat, maar de ik-verteller stelt ook vast: ‘de dood is geen dooie boel’.We blijven steeds in beweging.

Lees meer »

Jonge wolven IX. Voorbij het zwelgen in eigen falen.

Beste wolven,Lezen in dichtbundels of romans van Wouter Godijn is altijd een avontuur en dat avontuur speelt zich ook altijd af op het niveau van het lezen en schrijven zelf. De schrijver reflecteert nadrukkelijk op de rol van de schrijver, op de daad van het schrijven, op de rol van de criticus. Schrijven over het werk van Godijn geeft je het gevoel alsof er iemand over je schouder meekijkt en juist die idee, van een entiteit die je bekijkt en beoordeelt, loopt als een rode draad door zijn werk.            Sinds zijn romandebuut Witte tongen (1997) komen verschillende thema’s en motieven steeds terug in zijn prozawerk, De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (2007) en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010). Ook in zijn dichtwerk – dat inmiddels zeven intrigerende bundels omvat, met Alle kinderen zijn van glas (2000) als begin en het terecht bekroonde Hoe H. H. de wereld redde (2012) als voorlopige hoogtepunt – houdt Godijn zich bezig met Grote Vragen: wat is Goed, wat is Kwaad en (hoe) kunnen ze gelijktijdig bestaan? Hoe verhouden wij, denkende mensen, ons tot een denkbare god? Hoe ga je als kleine schrijvende mens om met je grote obsessies en wat als een van die obsessies een romantisch-hoogdravend ideaal over de taak van de schrijver is? Wat te doen met de ondraaglijke lulligheid van het bestaan, met obstipatie, diarree en een kotsende kat? Antwoorden op deze en andere vragen vinden we in zijn recentste roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013), aangevuld met nog veel meer vragen.            Voordat het feest van de interpretatie kan losbarsten, moet ik een pas op de plaats maken en twee dingen constateren. 1) In de meeste kritieken die ik gelezen heb (met name die van Joost de Vries, Arjen Fortuin en Arie Storm) slagen de critici er niet in om deze roman adequaat te omschrijven en is het nadrukkelijk aanwezige politieke element ondergeschoven of zelfs verzwegen. Dat moeten wij rechtzetten. 2) Het zal voor de lezer van ons stuk onmogelijk zijn om te volgen waar wij het over hebben, als ik niet eerst helder de structuur van de roman weergeef. Dat is niet eenvoudig en de compositie van de roman lijkt complex maar ik doe mijn best om deze eenvoudig weer te geven en aldus dichter bij mijn eigen leeservaring uit te komen.            De roman begint met drie hoofdstukken waarin we kennismaken met de jonge Wilfried die met zijn vriendjes en vijandjes in een schijnbaar eeuwigdurende jongenstijd aan het vissen is. Hij ontwaart in het water een enorme snoek en probeert het monster te vangen maar dat mislukt. Na een kleine tijdsprong zijn we bij de oermythe van zijn leven: hij ziet voor zijn ogen en – zo vindt hij – door zijn schuld zijn moeder verongelukken. Dit gedeelte van de roman eindigt met een korte uiteenzetting over een mysterieuze berg in zijn geboortedorp, een berg die ontstaan was ‘[o]ngeveer in de tijd dat Wilfried werd geboren’. (36) Er zijn, verspreid over de roman, zes zulke Wilfriedhoofdstukken.            Op de drie inleidende hoofdstukken volgt het eerste stuk dat als titel ‘Een kijkje in de keuken (1)’ draagt (hiervan zijn er drie). Hierin ontmoeten we een verder naamloze sukkel die de schrijver blijkt van de roman over Wilfried. Daarnaast vertelt deze schrijver als ik-verteller niet alleen de drie keukenhoofdstukken maar ook andere hoofdstukken. Zo zijn er twee hoofdstukken onder de noemer ‘Hoe ik hier ben terechtgekomen’ die gaan over zijn mislukte huwelijk, een gefnuikte affaire en zijn sociaaleconomische marginalisering; ‘hier’ is een klein huurappartement dat hij deelt met huisdier Poespoes. Voorts nog twee hoofdstukken getiteld ‘Vaandels’ en ‘Miertjes’ over zijn onbeholpen ‘aanslag’ op een populistische politicus die naar Wilders gemodelleerd is: ‘Een in alles middelmatige man met geverfd haar en een gezicht dat altijd op pruilen staat.’ Ingebed in de keukenhoofdstukken zijn drie passages die ‘Aantekeningen over het hedendaags fascisme’ heten en die hij schrijft omdat hij ‘het niet laten [kan]’. (40) Die aantekeningen infecteren gaandeweg een groter deel van de roman.            Hoewel er verschillende ingebedde vertellingen, vertellers en perspectieven aanwezig zijn, leest de roman als een trein. Pas bij herlezing vertraagt de lectuur, omdat je dan ziet hoe ingenieus het werk in elkaar zit en oog hebt voor alle parallellieën, spiegelingen en verborgen vooruitwijzingen. Beste wolven, waar pakken jullie een van de vele draden op?Alle goeds,Willem

Lees meer »

Ilja, Giulia, Genua: de spiegelingen van 'La Superba'

Aan het begin van Ilja Leonard Pfeijffers roman La Superba (2013) introduceert de naar Italië verhuisde verteller het ‘mooiste meisje van Genua’. Ze ‘werkt in de Bar met de Spiegels. Ze draagt dezelfde nette kleren als alle meisjes die daar werken. Ze heeft ook een vriendje dat haar af en toe opzoekt wanneer zij werkt.’ De schrijver die het verhaal vertelt, ziet soms ‘via de spiegels hoe zij elkaar stiekem zoenen in het hokje waar zij de hapjes voor het aperitief klaarmaakt.’

Lees meer »

Eerst wat lucht. 'Ons verlangen' en de taal van Paul Bogaert

Als ik een nieuwe dichtbundel onder ogen krijg, volg ik een vast ritueel: ik lees de eerste regel (heel soms: regels) en sla de bundel weer dicht. Dan laat ik de gelezen woorden op me inwerken: welke associaties roept de dichter bij mij op, wat vind ik van de gebruikte klanken, staan de beelden mij aan? Op die manier vorm ik alvast een vooroordeel, dat tijdens mijn verdere lectuur bevestigd of ontkracht kan worden. Het is, geloof ik, een literaire variant op de uitdrukking ‘Je krijgt maar één kans om een eerste indruk te maken’, die overigens ook uitstekend werkt in het geval van proza.

Lees meer »